In de middeleeuwen groeiden dorpen, gelegen op een knooppunt van wegen, uit tot steden. Dit kwam omdat op die plek werd vaak een markt gehouden.
Veel steden lagen in de buurt van een rivier. Hierover konden allerlei producten en grondstoffen met schepen worden aan- en afgevoerd. Ook was er een kasteel in de buurt. Die was van de landheer. Als er gevaar dreigde konden stedelingen zich binnen de muren schuilhouden.
Stadsmuren
Aan de rand van de stad bouwden de stedelingen stenen muren. Op de hoeken kwamen hoge uitkijktorens. En natuurlijk waren er stadspoorten. Hierdoor konden de burgers de stad in en uit. De zware, ijzeren valhekken gingen dicht als de vijand de stad naderde. De ommuurde stad kon zo moeilijk worden ingenomen. Soms lagen er ook nog grachten rond de stadsmuren.
Stadrechten
De burgers in de middeleeuwse stad wilden zelf hun regels maken. Als dat van de landheer mocht, kreeg de stad stadsrechten. In ruil daarvoor moesten de stedelingen geld betalen aan de landheer. De stadsrechten stonden in een soort brief. De zegels onderaan de brief waren een soort handtekening. Van de belangrijkste burgers en de landheer natuurlijk.
De belangrijkste stadsrechten waren:
- De burgers mochten zelf belasting innen en tol vragen.
- De burgers mochten een muur om de stad bouwen.
- De burgers mochten zelf een markt organiseren.
Straffen
In de stad golden speciale regels. Het stadsbestuur zorgde ervoor dat iedereen zich aan de regels hield. Mensen die de regels overtraden werden streng gestraft. Hun ledematen werden afgehakt, ze werden geradbraakt, aan de schandpaal genageld, of opgehangen.
Sommige overtreders van de stadsregels kregen geen straffen. Zij konden hun straf afkopen door een geldbedrag te geven aan het stadsbestuur.
