De Hogesnelheidslijn (HSL) en de Betuweroute. De aanleg van deze grote infrastructurele werken hebben miljoenen euro’s gekost en jaren geduurd. De infrastructuur werd lange tijd gezien als een collectief goed. Maar in dat beeld komt langzaam verandering door het ontwikkelen van publiekprivate samenwerkingsverbanden.
Van oudsher werd de aanleg van infrastructuur gezien als overheidstaak. Maar omdat infrastructurele werken als de Betuweroute erg veel geld kosten, probeert de overheid probeert steeds meer een samenwerking met bedrijven te zoeken. Op deze manier hoeft de overheid niet alles te betalen en kan er een beter product gemaakt worden. Maar toch is het realiseren van zulke samenwerkingsverbanden verre van eenvoudig. Er liggen heel veel gevaren op de weg. Mede omdat zeker bij de aanleg van infrastructuur veel belanghebbenden zijn.
Geschiedenis van het Nederlandse transportnet
Toen Nederland in 1815 een eenheidsstaat werd, werd het mogelijk om de provincies te dwingen te helpen met de aanleg van de straten. Koning Willem I besefte het belang van grote land- en waterwegen. De grondwet van 1815 schreef voor dat de opbrengst van weg-, brug- en sluisgelden bedoeld was voor onderhoud en uitbreiding van het transportnet.
Tolwegen
De koning verleende ook aan particulieren vergunningen voor de bouw van wegen en het aangaan van leningen om de kosten te dekken. De opbrengst van de tol op deze particulier aangelegde wegen werd na aftrek van de onderhoudskosten aan de aandeelhouders uitgekeerd. Deze particulier gefinancierde wegen waren zogenaamde geconcessionneerde wegen. Tolwegen waren een handig middel om het wegennet uit te breiden zonder dat het veel geld kostte. Tijdens de 19e eeuw waren heel veel wegen bezaaid met tolhekken. Pas in 1899 werden de tolwegen weer tolvrij.
Terug naar vroeger
Al enkele jaren wordt in Nederland de discussie gevoerd of er weer op grotere schaal tolwegen moeten komen of niet. Het lijkt wel of oude tijden herleven. En eigenlijk is dat niet anders dan met het samenwerken tussen overheid en bedrijfsleven in de aanleg van infrastructuur. Tegenwoordig heeft het alleen een moderne naam gekregen: publiekprivate samenwerking (PPS).
Publiekprivate samenwerking
Het doel van publiekprivate samenwerking (PPS) is het realiseren van meerwaarde en efficiëntiewinst. Een PPS-project moet aan een aantal criteria voldoen. Daarom werken bij een PPS-project overheden en bedrijfsleven samen op basis van duidelijke, contractueel vastgelegde afspraken:
- Wie is waarvoor verantwoordelijk en wie draagt welke kosten en risico’s?
- Het gaat om het realiseren van zowel maatschappelijke als commerciële doelen;
- Beide partijen verwachten dankzij de samenwerking en de inbreng van ieders specifieke deskundigheid een beter resultaat tegen dezelfde kosten te realiseren (of hetzelfde resultaat tegen geringere kosten);
- Elke partij behoudt zijn eigen identiteit en verantwoordelijkheid
Versnelde aanleg
Door te kiezen voor een samenwerking tussen publieke en private partijen kunnen infrastructurele werken versneld worden aangelegd. Hier hebben zowel de overheid als de bedrijven belang bij. Van het grootste belang hierbij is de verbetering van de mobiliteit. Files kosten namelijk een hoop geld. Om het aantrekkelijk te maken voor private partijen deel te nemen aan dergelijke grote projecten is het mogelijk tolgelden te heffen op wegen, tunnels en dergelijke. Op deze manier kan het geïnvesteerde geld worden terugverdiend.
