In de Grondwet, het Wetboek van Strafrecht en een aantal andere wetten, zoals bijvoorbeeld de Leerplichtwet, staat wat niet mag en wat strafbaar is.
Sommige feiten zijn op het moment dat ze worden gepleegd niet strafbaar omdat ze niet in een wet staan.
Strafbaar
Er zijn 2 soorten strafbare feiten:
- Overtredingen: dit zijn schendingen van regels die onze maatschappij ordenen, schendingen die niet als ernstig worden beschouwd. Bijvoorbeeld door rood licht rijden of wildplassen.
- Misdrijven: dit zijn relatief zware strafbare feiten, gedragingen die door iedereen als moreel onaanvaardbaar worden beschouwd. Bijvoorbeeld moord, mishandeling en diefstal.
Onschuldig
In ons strafrecht geldt dat iemand onschuldig is – en daarom spreekt men ook van ‘verdachte’ - totdat een rechter anders heeft bepaald. De verdachte is pas een dader als de rechter bewezen vindt dat hij een strafbaar feit heeft begaan. Straffen worden afgestemd op de leeftijd van de veroordeelden; we kennen dus een jeugdstrafrecht en een volwassenenstrafrecht.
Redenen voor strafoplegging
Er kunnen verschillende redenen zijn om een dader te straffen. De belangrijkste is vergelding: iemand die een ernstig misdrijf heeft gepleegd, moet daarvoor ‘boeten’. Misdaad mag niet lonen. Andere redenen om een straf op te leggen zijn:
- afschrikken: iemand die weet dat zijn daad kan leiden tot het opleggen van een straf zal minder snel een misdaad plegen;
- voorkomen van eigenrichting: doordat de rechter misdadigers straft, hoopt men te voorkomen dat slachtoffers van misdrijven zelf wraak nemen,
- resocialisatie: de straf moet het gedrag van de dader verbeteren, zodat deze zich aanpast aan de normen van de samenleving;
- beveiliging van de samenleving: vooral bij ernstige gewelds- en zedendelicten kunnen door de rechter lange celstraffen worden opgelegd om de maatschappij te beschermen tegen een dader die opnieuw eenzelfde delict zou begaan, de z.g. recidive.
