Debat: Financiële steun aan religieus onderwijs

Vrijheid van onderwijs

klas in de schoolbanken, twee jongetjes op voorgrond

Vrijheid van onderwijs is een recht waardoor iedereen een school op kan richten met een bepaald geloof of bepaalde overtuiging als grondslag. Ook mogen ouders zelf bepalen naar welke school hun kind gaat: een openbare of bijzondere school.

Beide type scholen ontvangen geld van de overheid. Om hiervoor in aanmerking te komen, moeten de scholen wel aan voorwaarden voldoen, zoals: een minimum aantal leerlingen en bevoegde docenten.

Artikel 23 van de grondwet

Voor 1917 werden de bijzondere scholen niet volledig door de overheid gefinancierd. Daar kwam in dat jaar verandering in als gevolg van de schoolstrijd. In artikel 23 van de Nederlandse grondwet werd toen vastgelegd dat bijzondere scholen recht hebben op dezelfde financiële steun van de overheid als openbare scholen. Als gevolg van de grondwetswijziging van 1917 kwam in 1920 de nieuwe ‘Onderwijswet’ tot stand. Hierin is de financiële gelijkberechtiging verder uitgewerkt.

Bijzonder onderwijs en integratie

In 2003 ontstond er discussie of deze financiële gelijkstelling wel gehandhaafd moet blijven, mede door de oprichting van islamitische scholen. Hierbij gaat het vooral om de vraag of het bestaan van het bijzonder onderwijs afbreuk doet aan de integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving.

Voor- en tegenstanders

Een veel gehoord argument is dat bijzonder onderwijs het recht op vrijheid van onderwijs ‘misbruikt’: bijzondere scholen zouden het recht in artikel 23 gebruiken om leerlingen en docenten te weigeren. Zo kunnen christelijke scholen bijvoorbeeld allochtonen weren, waardoor de openbare scholen ‘zwarter’ worden. Niet iedereen is het echter eens met deze beschuldiging. Bijzondere scholen zijn samenbindend en zorgen juist voor integratie luidt het tegenargument. Bovendien is vrijheid van onderwijs een belangrijk grondrecht.