In de grondwet van 1848 werd bij het regelen van het kiesrecht geen onderscheid gemaakt tussen mannen en vrouwen. Juridisch was het dus voor vrouwen mogelijk om van het kiesrecht gebruik te maken. Maar in de praktijk waren vrouwen van actief en passief kiesrecht uitgesloten.
Aletta Jacobs
De eerste vrouw die de feitelijke uitsluiting besloot aan te vechten, was Aletta Jacobs. Zij verzocht bij de verkiezingen van 1883 om plaatsing op de kiezerslijst van de gemeente Amsterdam. Het college van B. en W. wees haar verzoek af: “…adressante moge zich dan beroepen op de letter der Wet, volgens de Geest onzer Staatsinstellingen is aan de vrouw geen kiesrecht of stemrecht verleend.” Aletta vocht deze beslissing aan, zelfs tot de Hoge Raad, maar kreeg van de rechter geen gelijk.
De grondwetsherziening van 1887
De overheid was blij met de uitspraak, maar was wel bang dat de rechterlijke macht in de toekomst van mening zou veranderen. Daarom besloot de overheid het probleem goed te regelen. In het nadeel van de vrouw. Bij de grondwetsherziening van 1887 werd het aantal kiesgerechtigden verder uitgebreid door de census af te schaffen. Voortaan werd het kiesrecht voor alle vertegenwoordigende lichamen nadrukkelijk toegekend aan alle mannelijke Nederlanders die aan “kenmerken van geschiktheid en welstand” voldeden.
Wat die kenmerken precies inhielden, wist niemand. Volgens de liberale minister Tak van Poortvliet, die in 1892 een ontwerp voor een nieuwe kieswet indiende, kwam het er op neer dat iedere man die kon lezen en schrijven en in het levensonderhoud van zichzelf en zijn gezin kon voorzien, kiesrecht kreeg.
Oppositie tegen de uitbreiding was er genoeg. Een Amsterdamse wiskundeleraar bracht zelfs een brochure uit waarin hij stelde dat de arbeiders nu het roer in handen zouden krijgen. Zij waren namelijk het talrijkst omdat ze “roekeloos waren en zich vermenigvuldigden als de konijnen.” Daarom moesten er waarborgen komen zodat de belastingbetalende minderheid niet geplunderd zou worden door de niet-betalende meerderheid.
Strijd om het vrouwenkiesrecht
De kieswet van 1896 van Samuel van Houten zorgde weliswaar voor uitbreiding, maar van algemeen kiesrecht was nog geen sprake. Door de duidelijke uitsluiting van de vrouw werd de strijd om het vrouwenkiesrecht des te feller.
In 1889 had Wilhelmina Drucker de Vrije Vrouwen Vereniging opgericht die zich richtte op de achterstelling van vrouwen op juridisch en onderwijskundig gebied en in 1894 volgde (samen met Aletta Jacobs) de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht.
Uiteindelijk werd in 1919 de kieswet en in 1922 de grondwet gewijzigd zodat bij alle volgende verkiezingen mannen en vrouwen onder dezelfde voorwaarden konden stemmen.
