Het kan voorkomen dat je een opdracht krijgt om een of meerdere stellingen op te stellen en deze te voorzien van argumenten. Hierbij moet je aan enkele dingen denken.
Omdat je de stellingen formuleert naar aanleiding van een bepaalde opdracht, moet je er altijd voor zorgen dat de bedoeling van de opdracht er duidelijk in terugkomt. Als je dezelfde stellingen had kunnen formuleren voordat je de betreffende opdracht had uitgevoerd, zijn je stellingen niet goed.
Discussie
Bedenk altijd dat een goede stelling geen feitelijke uitspraak is, maar een oordelende. In een stelling formuleer je dus jouw mening over een bepaald onderwerp. Dit doe je omdat een stelling bediscussieerbaar moet zijn. Omdat een stelling altijd een mening is over het onderwerp, kun je een stelling niet formuleren als een vraag.
Argumenten
Het bedenken van argumenten is het moeilijkste deel van de opdracht. Dit komt doordat je al snel argumenten bedenkt die iets met het onderwerp te maken hebben, maar niets met de stelling. Om ervoor te zorgen dat je deze argumenten niet gebruikte kun je de stelling omzetten in een waaromvraag. Je vraagt jezelf af waarom je vindt dat de stelling klopt. Bekijk nu of de argumenten die hebt bedacht antwoorden zijn op die vraag.
Voor de argumenten geldt hetzelfde als voor de stelling: aan de argumenten moet af te lezen zijn dat je jezelf in het betreffende onderwerp hebt verdiept. Enerzijds moet dit blijken uit de kwaliteit (diepgang) van je argumenten, anderzijds moet dit blijken uit het feit dat je bij je argumenten verwijst naar bronnen die je tijdens de opdracht gebruikt hebt.
Vervolgopdracht
Het kan zijn dat je docent tevreden is met het feit dat je stellingen en argumenten geformuleerd hebt. Het kan echter ook zijn dat de docent deze stellingen wil gebruiken als uitgangspunt voor een andere activiteit (discussie, debat). Vraag dit daarom altijd goed na en stop niet zomaar voordat je dit weet. Stellingen en argumenten zijn namelijk per uitstek geschikt voor een debat of discussie.
