Je kunt in een tekst gewoon schrijven wat je wilt schrijven, maar je kunt ook proberen om het iets leuker te maken. Door stijlfiguren toe te passen, maak je de tekst minder saai en valt het meer op.
Er zijn veel verschillende manieren om een tekst te laten opvallen. Dit worden stijlfiguren genoemd. Hiermee kun je de nadruk leggen op een bepaald aspect van je tekst. Maar pas wel op: teveel is nooit goed. Denk daar daarom bij het schrijven altijd goed over na.
Paradox
Om je lezer aan te zetten tot denken, kun je een paradox in je tekst verwerken. Een paradox is een schijnbare tegenstelling. In eerste instantie denk je dat het niet kan, maar als je er eens goed over nadenkt kan het toch. Een natte woestijn, een rijdende file of een jonge bejaarde zijn voorbeelden van paradoxen.
Repetitio
Om een bepaald deel van je tekst extra te benadrukken, kun je het gewoon herhalen. Deze stijlfiguur wordt repetitio genoemd. Bijvoorbeeld: “Daar is de supermarkt! Daar is de supermarkt!”, roept ze verschrikt.
Parallellisme
Deze stijlfiguur lijkt een beetje op repetitio, maar gaat een stap verder. De zinnen krijgen in dit geval allemaal hetzelfde begin, maar verder verandert het. Ze hebben wel allemaal hetzelfde verloop. Een voorbeeld hiervan is:
Groenten eet ik niet.
Ze hebben geen smaak,
Ze hebben geen mooie kleur,
Ze hebben geen lekkere geur.
Prolepsis
Om een bepaald woord nadruk te geven kun je het vooraan de zin zetten. Het krijgt nog eens extra nadruk doordat het van de rest van de zin staat geïsoleerd door een komma. De bedoeling is om zo meer spanning aan een zin mee te geven. Een zin als: “We zien die roker zijn twaalfde sigaretje opsteken”, wordt: “Die roker, we zien hem zijn twaalfde sigaretje opsteken”.
Retorische vraag
Vragen staat vrij! Maar sommige vragen zijn geen vragen. Sommige vragen zijn mededelingen. Sommige vragen staan eigenlijk alleen maar in de tekst om de lezer na te laten denken. Dit noem je een retorische vraag. De schrijver verwacht daarom ook geen antwoord. Hij wil er alleen iets mee zeggen.
Pleonasme
Een ronde cirkel of het natte water. Het zijn voorbeelden van pleonasmes. Hiermee wordt 2 keer hetzelfde gezegd over iets. Een cirkel is namelijk al rond van zichzelf en water is altijd nat. Een pleonasme ontstaat als een beschrijvend woord iets over het andere woord zegt. In dit geval het bijvoeglijk naamwoord over het zelfstandig naamwoord. Een pleonasme is vaak een stijlfout. Probeer dit in gewone teksten daarom te voorkomen. Je kunt er ook voor kiezen om het juist te gebruiken, omdat je daar iets mee wilt laten zien.
Tautologie
De tautologie is te vergelijken met een pleonasme. Alleen zijn het hier 2 dezelfde soorten woorden die hetzelfde zeggen. “Enkel en alleen” bijvoorbeeld. Deze woorden zeggen niets over elkaar, maar bedoelen wel hetzelfde.
Zelfcorrectie
Fouten maken is menselijk. Daar kun je vaak niets aan doen. Maar soms, als stijlmiddel, maak je expres een fout. Door deze direct te verbeteren, heb je meteen de aandacht van het publiek. Voorbeeld: “Hij rijdt een rondje in twee minuten, nee 1 minuut 55!”
Ironie, sarcasme en cynisme
Je kunt op 3 manieren iets zeggen, terwijl je het eigenlijk het tegenovergestelde bedoelt. De eerste is een ironische opmerking en gebruik je om mee te spotten. Je bent het ergens niet mee eens en dat probeer je op een positieve manier te uiten. “Hij kan echt goed dansen”, kan betekenen dat hij juist helemaal niet goed kan dansen.
Ironie kan op een gegeven moment overgaan in sarcasme. Ook nu zeg je het tegenovergestelde van wat je bedoelt, maar is het niet echt positief meer bedoelt. “Als jij zo danst, dan haal je zeker de finale”, is bijvoorbeeld een sarcastische opmerking nadat een leerling zijn dans volledig heeft verpest. Cynisme gaat nóg een stapje verder. Dit is vooral spottend bedoeld. Je had dan kunnen zeggen: “Had je nou echt gedacht dat je in de finale zou komen?”
