Tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog braken er in Duitsland opstanden uit tegen de bestuur van keizer Wilhelm II. De socialisten riepen de republiek uit en keizer Wilhelm II vluchtte naar Nederland.
In Berlijn was het nog te onrustig om te vergaderen, daarom kwam het parlement voor het eerst bij elkaar in de Duitse plaats Weimar.
Democratie
Duitsland was een democratie geworden: de republiek van Weimar. Voor het eerst in de Duitse geschiedenis waren er vrije verkiezingen en kon het volk een stem uitbrengen op verschillende politieke partijen.
Strenge bepalingen
Maar de Duitse regering slaagde er niet in om het land goed te besturen. Het land had te maken met de strenge vredesbepalingen, het Duitse volk voelde zich nog steeds vernederd door het verdrag van Versailles en de verloren oorlog.
Vertrouwen verloren
De vele regeringen waren niet in staat om de economische crisis en de inflatie aan te pakken. De armoede en de ontevredenheid groeide en veel Duitsers verloren het vertrouwen in het nieuwe democratische systeem.
Sterke leider
Zij wilden een sterke leider die de problemen zou aanpakken. Een leider zoals Mussolini in Italië. Een sterke leider zou van Duitsland vast weer een trots en sterk land maken.


