Bij de grondwetswijziging van 1917 werd ook het kiesstelsel veranderd. Tot 1917 had Nederland een districtenstelsel. Het land was verdeeld in 100 districten.
Een kandidaat van een politieke partij die in een district de absolute meerderheid had behaald kwam in de Tweede Kamer. Door dit districtenstelsel was het voor kleine partijen onmogelijk om in de Tweede Kamer te komen.
In 1917 werd het stelsel van evenredige vertegenwoordiging ingevoerd. Voor een zetel in de Tweede Kamer moet een politieke partij tenminste de kiesdeler halen.
Kiesdeler
De kiesdeler bereken je door het aantal uitgebrachte stemmen te delen door het aantal kamerzetels. Als 6 miljoen mensen gestemd hebben voor de Tweede Kamer dan is de kiesdeler 40.000 - 6 miljoen gedeeld door 150. Als een partij 80.000 stemmen krijgt, dan levert dit de partij 2 zetels op. Als een partij 2.000.000 stemmen krijgt, dan krijgt de partij 50 zetels. Als een partij weinig stemmen krijgt, dan krijgt de partij ook weinig zetels. Bij veel stemmen veel zetels. De partij moet dan wel eerst de kiesdeler gehaald hebben.
Nadelen
Door dit stelsel van evenredige vertegenwoordiging hebben de kleine politieke partijen een kans om ook in de Tweede Kamer te komen. Maar er zijn ook nadelen. Een nadeel is dat er veel politieke partijen zijn. Als je als partij de kiesdeler haalt, levert dat 1 zetel op. Dit nadeel valt vooral op als er na de verkiezingen een nieuwe regering gevormd moet worden. Er is nooit 1 partij die meer dan 75 zetels heeft gehaald. Verschillende partijen moeten met elkaar overleggen of ze willen en kunnen samenwerken. Vaak duurt het erg lang voordat er een nieuwe regering is.
Democratie
Door de invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen was Nederland een parlementaire democratie geworden. Door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging en het algemeen kiesrecht kregen veel meer burgers invloed op het bestuur van het land.

