VMBO Examen Aardrijkskunde

Klimaatgebieden

Welke zijn er allemaal?

Klimaat is het gemiddelde weer over een lange periode (30 tot 40 jaar). Na jaren lang informatie verzamelen krijg je een hoop gemiddelden. Daarom bedacht de Duitse klimatoloog Wladimir Köppen een systeem om alle klimaten te benoemen.

Köppen bedacht een indeling op basis van 5 hoofdklimaten. Deze zijn gebaseerd op de verschillen in temperatuur. Het tropische klimaat is gemiddeld het warmste en het poolklimaat is het koudste. Om het internationaal gemakkelijk te benoemen, krijgt elk klimaat een letter van A tot en met E mee.

1. Tropenklimaat (A)
2. Woestijnklimaat (B)
3. Zeeklimaat (C)
4. Landklimaat (D)
5. Poolklimaat (E)

illustratie waarop de verschillende klimaatgebieden te zien zijn

Bron: Basis Bosatlas; Copyright: Wolters-Noordhoff, Groningen Klik op het plaatje voor een vergroting

Tropenklimaat (A)

Dit klimaat vind je vlak rond de evenaar. Je kunt van een tropenklimaat spreken als het in de koudste maand niet kouder dan 18 graden is. Het is hier dus heel het jaar door warm. Toch regent het bijna dagelijks. Dit soort vochtige gebieden worden vaak tropische oerwouden genoemd.

Woestijnklimaat (B)

Het woestijnklimaat wordt gekenmerkt door een tekort aan neerslag. Er groeien dan ook nauwelijks planten. Toch zijn er plekken waar nog wel regen valt. Dat zijn steppes (BS-klimaat). De woestijn heeft een BW-klimaat en is droog en dor. Kenmerkend voor droge klimaten zijn de grote verschillen tussen de dag en nachttemperatuur. Vanwege de weinige bewolking is het vaak helder. Hierdoor is het overdag heet en ‘s nachts koud.

Zeeklimaat (C)

Strenge winters en hete zomers ontbreken in het zeeklimaat. Een gebied valt onder dit klimaat als het gemiddeld in de koudste maand niet kouder dan –3 graden en in de warmste maand tussen de 10 en 18 graden is. Ook is er het hele jaar door genoeg neerslag. Nederland valt bijvoorbeeld in dit type klimaat.

Technisch gezien heeft Nederland een Cf-klimaat. Dit betekent een zeeklimaat met heel het jaar door regen. Köppen heeft namelijk in de A, C en D een onderverdeling gemaakt met de letters f, w en s. Deze letters geven aan in welke periode er regen valt. De f van ‘fehlt’ betekent bijvoorbeeld dat er gedurende het jaar voortdurend regent valt. De w staat voor ‘wintertrocken’ en betekent dat er in de winter geen regen valt. De s staat voor ‘sommertrocken’. Hiermee geef je aan dat de zomers droog zijn.

Landklimaat (D)

Het landklimaat kenmerkt zich door de grote verschillen tussen de zomer en winter. De zomers zijn vaak kort en warm terwijl de winters lang en koud zijn. In de winter valt er veel sneeuw.

Poolklimaat (E)

In een poolklimaat komt de temperatuur nooit boven de 10 graden. Ook hier is een uitsplitsing mogelijk. Een ET-klimaat staat voor een Tundragebied. Een permanent bevroren vlakte heeft een EF-klimaat en EH-klimaat vind je vooral in een hooggebergte.