Iedere dag ga je naar school. Dat is heel gewoon. Maar nog niet eens zo heel lang geleden was dat helemaal niet zo normaal. Kinderen werkten toen nog gewoon mee met hun ouders om geld te verdienen.
In 1859 werkten er ongeveer 450.000 kinderen tussen de zes en elf jaar. Uit dagboeken blijkt dat kinderen al vanaf het zesde jaar hele dagen moesten werken. In fabrieken. Soms had een kind iets rijkere ouders en mocht het naar school. Maar dan nog moest het al zijn vrije tijd na school meeverdienen.
Omstandigheden in de kinderarbeid
Eén van die kinderen was August. In een boek met herinneringen kun je het volgende lezen. “Op weekdagen kwam ik niet voor tien uur ´s avonds thuis. (Zaterdag was vroeger een weekdag en een werkdag voor iedereen.) Op zondag niet voor middernacht. In de herfst, als ik niet naar school ging, moest ik aardappels rooien vanaf zeven uur ´s ochtends tot het donker werd.”
Niet alleen verdienden deze kinderen bijna niets; ze liepen grote risico´s. Ze werkten vaak met gevaarlijke machines en ongelukken waren geen uitzondering. Ook de hygiënische omstandigheden waren slecht. Rond 1900 was de gemiddelde levensverwachting ongeveer 45 jaar. Dat werd onder andere veroorzaakt door de grote sterfte bij de geboorte en in het eerste levensjaar. Maar ook door de grote kindersterfte.
De wet op de kinderarbeid
De kinderarbeid werd een probleem; langzamerhand begonnen mensen in te zien hoe schadelijk die was. Onder invloed van artsen, schrijvers, priesters, politici veranderden de ideeën over opgroeiende jonge mensen. De minister Samuel van Houten zette die om in een wet op de kinderarbeid, die in 1874 werd aangenomen. Artikel een luidde: “Het is verboden kinderen beneden de twaalf jaar in dienst te nemen of in dienst te hebben.”
Dit was niet meteen het begin van een grote verandering. Ouders zagen zich nog lange tijd gedwongen hun kinderen te laten werken. De Tweede Kamer wilde in 1887 weten of de wet op de kinderarbeid werd nageleefd. Er werd een onderzoek ingesteld en daaruit bleek dat dat niet het geval was. Geen wonder: in fabrieken werd niet gecontroleerd op naleving van de wet! Maar het verzet tegen kinderarbeid werd steeds groter. Bovendien kwamen er meer werkzaamheden waarvoor scholing was vereist. Het werd zelfs nuttig kinderen eerst naar school te laten gaan.
Na het onderzoek werd in 1889 De Arbeidswet aangenomen. Die verbood arbeid voor kinderen jonger dan twaalf jaar ook voor de landbouw en bevatte een aantal regels om de arbeid van kinderen jonger dan zestien jaar te beperken. Inspecteurs werden aangesteld om te controleren of iedereen zich aan de wet hield.
De wet op de leerplicht
In 1900 aanvaardde de Tweede Kamer de leerplichtwet, die kinderen vanaf 6 tot 12 jaar verplichtte thuis of op school onderwijs te volgen. Met 50 tegen 49 stemmen! Vanaf 1 januari 1901 moesten deze kinderen gedurende zes aaneengesloten jaren naar school gaan. Zij konden niet langer gedwongen worden lange tijden in fabrieken te werken. Deze wet maakte definitief een einde aan de onmenselijkheid van kinderarbeid in Nederland. De wet van 1900 maakte voor sommige kinderen wel een uitzondering. Zoals voor kinderen van boeren, die tijdens de oogsttijd mee moesten helpen.
In 1969 werd de leerplichtperiode verlengd naar negen jaar en vervolgens werd de periode in 1975 met nog een jaar verlengd. In 1994 werd er nog een onderdeel aan de wet toegevoegd, die stelde dat iemand ouder dan zestien ook nog gedeeltelijk leerplichtig werd. Kinderen horen tegenwoordig naar school te gaan tot hun zestiende jaar. Ze werken alleen na school of in de vakantie in de supermarkt of als krantenbezorger.
Verplicht
De wetgeving is dus duidelijk bedoeld om jongeren te beschermen. Zij mogen niet worden misbruikt voor kinderarbeid en hebben het recht op een goede scholing. Maar dat betekent ook dat zij verplicht op school aanwezig dienen te zijn. De overheid moet daar op toezien. Bij de invoering van de leerplicht waren kinderen ongetwijfeld dolgelukkig dat zij niet meer onder onmenselijke omstandigheden dienden te werken. Tegenwoordig is een aantal kinderen ongelukkig omdat het naar school toe moet.
In 1999 pleitten twee deskundigen voor het afschaffen van de leerplicht. Ouders mogen hun kinderen dan thuis houden, maar ze mogen ze niet laten werken want kinderarbeid blijft verboden. Kinderen die naar school willen, mogen niet door hun ouders worden tegengehouden.
