In 1849 volgt kroonprins Willem zijn vader op als koning Willem III. Onder het bewind van zijn vader is de grondwet ingrijpend gewijzigd. De koning heeft veel macht moeten afstaan aan het parlement. Maar Willem III heeft grote moeite die instructie te accepteren. Hij wil de macht weer naar zich toe trekken.
Willem II komt hierdoor regelmatig in botsing met de Tweede Kamer. Hij ontbindt die als de Kamer op zijn strepen blijft staan en soms weigert hij de besluiten van het kabinet te ondertekenen. Maar de parlementaire democratie heft inmiddels wortel geschoten in Nederland. De koning kan dat niet meer terugdraaien.
Censuskiesrecht
Politieke partijen zijn er dan nog niet. Er zijn wel liberale, katholieke, protestantse en conservatieve kamerleden, maar die werken op zichzelf. Zij discussiëren vanuit hun eigen overtuiging en principes, maar hun meningverschillen zijn nooit heel erg groot, want bijna allemaal zijn ze afkomstig uit de gegoede laag van de bevolking. Het zijn mannen van statuur.
Kiesrecht is immers alleen voorbehouden aan het welgestelde deel van de bevolking. Het censuskiesrecht zorgt daarvoor: alleen mannen die een bepaalde belastingsom betalen mogen kiezen of gekozen worden. De Kamer is dus absoluut geen afspiegeling van de hele samenleving en daarom ook niet echt democratisch. Maar dat verandert in 1887.
Kiesrecht wordt versoepeld
Een groep socialisten komt op voor de arbeiders. Ze richten een partij op. De Sociaal Democratische Arbeiders Partij, de SDAP. Ze willen de slechte leefomstandigheden van de arbeiders verbeteren. Ook protestanten en katholieken richten partijen op ze willen het kiesrecht versoepelen.
De liberalen verliezen terrein. De censusbepalingen voor kiesrecht wordt versoepeld. In 1887 krijgen meer mannen kiesrecht. Het kamerlid Samuel van Houten zorgt er een paar jaar later voor dat er weer een nieuwe kieswet wordt aangenomen waarin nog meer mannen kiesrecht krijgen.
Algemeen kiesrecht
Maar voor de SDAP is dat niet genoeg. De partij wil algemeen kiesrecht. Haar aanhang groeit en wordt steeds mondiger. De invloed van de arbeiders neemt toe. In 1917 is de Nederlandse samenleving rijp voor algemeen mannen kiesrecht, maar van een volwaardige democratie is nog steeds geen sprake. Ook vrouwen gaan de straat op en demonstreren. Zij willen ook kiesrecht. Dat leidt in 1919 tot een grondwetswijziging waarin wordt vastgelegd dat vrouwen nu ook mogen stemmen.
