Ruim 200 jaar geleden was Nederland geen koninkrijk, maar een republiek. De Republiek der Verenigde Nederlanden. Verenigd, want er waren 7 provincies met elk een eigen bestuur: de Staten.
De Staten werkten samen als het ging over oorlogvoeren of buitenlandse politiek. Dan kwamen de afgevaardigden van alle Staten bijeen in Den Haag. Deze vergadering noemen we de Staten Generaal. In de praktijk viel het niet altijd mee om gezamenlijk besluiten te nemen.
Een geval apart
Bestuurlijk gezien was de Republiek een apart geval in het Europa van koningen en keizers. Toch had de Republiek veel aanzien. Nederland was welvarend, vooral door haar uitgebreide handelsactiviteiten. Nederlandse VOC-schepen brachten Aziatische goederen naar Amsterdam. Deze rijkdom was terug te zien in de luxe grachtenpanden en landhuizen aan de Vecht. Aan het einde van de achttiende eeuw gaat het economisch slechter in de Republiek. De handel neemt af en er worden geen winsten meer gemaakt. Engelse schepen beheersen de zeeën en voeren oorlog tegen de Republiek.
De spanningen onder de Nederlanders neemt toe, hun problemen worden groter. De toenmalige stadhouder, prins Willem V, kon ook geen oplossingen bieden.
Stadhouder Willem V
Het stadhouderschap was een erfelijke functie. Hij was opperbevelhebber van het leger en benoemde mannen in de verschillende stadsbesturen. En omdat de steden ook lid waren van de Staten, had de stadhouder dus veel invloed op de regenten in de steden en in de provinciale Staten. Stadhouder Willem V had best veel macht. Hij woonde als een vorst in paleis Huis ten Bosch en het Loo. Dat nam echter niet weg dat Willem V maar moeilijk iets voor elkaar kan krijgen. Hij had te maken met grote oppositie van de regenten.
Regenten
Regenten hadden alles te vertellen in het bestuur van de steden en de Staten van de provincies. En omdat ze dat zo ook wilden houden hielden ze de stadhouder zoveel mogelijk overal buiten. De regenten vormden een gesloten groep van rijke families en kooplieden en oude aanzienlijke geslachten. Zij speelden elkaar de goede banen toe in het stadsbestuur. Ze hoefden al helemaal geen verantwoording af te leggen aan het volk dat regeerde.
Frustratie bij de burgers
De heersende regentenfamilies verdeelden rijkdom en macht onder elkaar. Zo was het altijd geweest en zo moest het vooral ook blijven. Maar als het aan het einde van de achttiende eeuw slecht gaat met de Republiek, groeit bij veel burgers de frustratie. Ze lezen kranten en boeken over intellectuele onderwerpen. Ze hebben nieuwe ideeën over goed bestuur en willen die graag uitvoeren. Ze hebben niets met de oude elite en hun vertegenwoordiger, stadhouder Willem V. Ze komen in actie!
