Aan het einde van de zestiende eeuw is slavernij in de Republiek der Verenigde Nederlanden onbekend. Portugezen en Spanjaarden daarentegen zijn al sinds het midden van de vijftiende eeuw actief in de slavenhandel.
Om de kolonie Suriname te bevolken, wilde Nederland er rijke ambachtslieden en handelaren heen sturen. Die waren alleen niet erg enthousiast. Daarom werd hun plaats ingenomen door criminelen en armen.
Eerste slaven
Deze kolonisten kwamen als blanke ‘hulpjes’ naar Suriname. Daar werden ze ingezet als contractarbeiders op plantages en als pachter bij het bewerken van het land. Zij waren de allereerste Nederlandse ‘slaven’.
Er is sprake van slavernij wanneer iemand gedwongen wordt te werken onder mentale of fysieke druk. Een slaaf is het eigendom of wordt onder controle gehouden door de 'werkgever'. Dit gebeurt meestal met gebruikmaking van mentaal of fysiek geweld. Hierdoor worden ze beschouwd als eigendom en niet als mens. Ook mochten slaven niet doen wat ze zelf wilden.
Slavenhandel
Na de oprichting van de West Indische Compagnie in 1621 en de verovering van de kolonie Brazilië op de Portugezen in 1630, gaan de Nederlanders zich ook intensief met de slavenhandel bezighouden.
Werk op plantages
De Nederlanders wilden veel geld verdienen aan de koloniën. Er was alleen een probleem. De inwoners van de veroverde gebieden (Brazilië en Suriname) waren niet geschikt voor het zware plantagewerk. Arbeidskrachten vinden uit Nederland was ook geen succes: men kon niet voldoende mensen aantrekken en men had bovendien meer last van ordeverstoring van de ingevoerde 'boeven', dan voordeel van hun werk. Slaven uit Afrika konden het werk lichamelijk beter aan en door het inzetten van Afrikaanse slaven konden grotere plantages bestaan.
Rechtvaardiging
De slavernij werd op verschillende manieren gerechtvaardigd. Dominees haalden verschillende stukken van de bijbel aan. Zelfs de zwarte dominee Jacobus Capitein, ooit zelf slaaf, verdedigde de slavernij. Bovendien vonden ze het niet erg zolang het maar
om heidenen ging die in een oorlog gevangen waren genomen. Politici benadrukten dat ze zelf geen slaven maakten, maar dat ze slechts handelden in mensen die al slaaf waren. Weer anderen probeerden de slavernij goed te praten door te beargumenteren dat de
gekleurde Afrikaanse bevolking van een minderwaardig ras waren.
