De frequentie van iets is het aantal keer dat iets gebeurt. Vooral als je onderzoek doet heb je hier veel mee te maken.
Stel je voor dat je wilt weten hoe veel rode, witte en blauwe auto’s in tien minuten voorbij rijden. Je kunt dan naast de weg gaan zitten met een blocnote en gaan turven. Voor elke rode, witte en blauwe auto die langsrijdt zet je een streepje.
Uitkomst
Na tien minuten tellen kom je erachter dat er maar liefst 35 rode, 23 witte en 17 blauwe auto’s langs zijn gereden. Dit zijn de frequenties. Om jouw onderzoeksresultaten overzichtelijk weer te geven, kun je het in een grafiek zetten. Dit kun je bijvoorbeeld doen met een frequentietabel, een staafdiagram of een cirkeldiagram.
Een absolute en relatieve frequentie
Je kunt de frequenties op twee manieren weergeven. Een absolute frequentie betekent dat je de waarden die je hebt gevonden als zodanig in een grafiek verwerkt. Een auto is er dus echt een. Een relatieve frequentie is de getelde hoeveelheid auto’s gedeeld door het totaal aantal voorbijgereden auto’s (de totale frequentie). Als je dit keer 100 procent doet, weet je het percentage rode, witte en blauwe auto’s dat is voorbij gereden.
Voorbeeld:
We gaan er even vanuit dat er alleen maar rode, witte en blauwe auto’s voorbij zijn gereden. In dat geval zijn er dus 35+23+17= 75 auto’s langs gereden. Dit is de totale frequentie. Om te berekenen hoe groot de relatieve frequentie van de rode auto’s is, deel je 35 door 75. Doe dit keer 100 procent en je weet hoeveel procent van de langsgereden auto’s rood is (35/75 x 100% = 46,7%).
Cirkeldiagram
Als je een cirkeldiagram wilt maken hebt je niet zoveel aan het percentage. Je moet weten hoe groot de hoek is die je moet tekenen. Hiervoor verander je de formule iets. In plaats van te vermenigvuldigen met 100 procent, vermenigvuldig je met 360 graden. Je weet dan precies hoeveel graden de hoek van het vlak moet worden.
