In de Tweede Wereldoorlog waren de kunstenaars in de door Duitsland bezette landen niet vrij om te maken wat ze wilden. De staat besliste hoe de kunst er uit moest zien. Abstracte kunst was bijvoorbeeld verboden. Veel kunstenaars vluchtten daarom naar Engeland of Amerika.
Na de oorlog waren de mensen in West-Europa weer vrij. De kunstenaars probeerden met hun vrijheid weer opnieuw te beginnen. Het leek alsof men alles wilde veranderen en vernieuwen. Werken met nieuwe energie, op een heel andere manier, met een totaal nieuwe vormgeving.
Figuratief en abstract
Het is moeilijk om de beeldhouwkunst in stijlen te benoemen, omdat veel beeldhouwers op verschillende manieren werkten. Er werden zowel abstracte als figuratieve beelden gemaakt. Voorbeelden van figuratieve beeldhouwkunst waren de vele herdenkingsmonumenten, waarvan in figuur 10-33a en b 2 bekende voorbeelden zijn afgebeeld.
Henri Moore
Andere beeldhouwers die figuratieve beelden maakten, waren Marino Marini en Gabriël Manzu. Tegelijkertijd maakte een beeldhouwer als Henri Moore in Engeland beelden van brons, steen en hout. Beelden van menselijke figuren werden soms vereenvoudigd tot een haast abstracte vorm. Henri Moore was bezig met grote gesloten en open vormen. Het was alsof hij wilde ‘spelen’ met ruimte en mooi bij elkaar passende vormen, figuur 10-34.
Hans Arp
Er waren ook beeldhouwers die volkomen abstract werkten. Hans Arp, een Zwitser, probeerde zo zuiver mogelijke vormen te maken. Eenvoud en prachtig in elkaar vloeiende vormen, vaak heel glad afgewerkt, maken zijn beelden tot een genoegen om naar te kijken, figuur 10-35.
Dikke duim
Hetzelfde geldt voor Barbara Hepworth uit Engeland. Zij voegde aan haar beelden van hout of brons soms een kleur toe. Van welke kant je zo’n beeld ook bekijkt, de vormen blijven boeiend en afwisselend. In de jaren ‘60 werd er meer gebruik gemaakt van andere materialen en de onderwerpen werden ook totaal anders. De beelden schokten de toeschouwers door de ongewone onderwerpen. Hoewel, is een duim zo ongewoon? Wel als een beeldhouwer als César hem zo enorm groot heeft gemaakt, figuur 10-36.
Hyperrealisme
John de Andrea en Duane Hanson maakten menselijke figuren zo levensecht, dat je zou menen dat er een levend mens voor je staat. De beelden stellen mensen voor die je dagelijks kunt tegenkomen. Je kunt je voorstellen dat deze beelden de toeschouwers schokken, omdat het beeld in een ruimte staat (museum) waar je het niet verwacht, figuur 10-39. Hanson maakt als het ware afgietsels van mensen, die hij gewone kleren aantrekt. Zo maakt hij beelden van bijvoorbeeld een glazenwasser, Amerikaanse toeristen of etende mensen. Deze beelden zijn gemaakt van fiberglas of polyester. Deze stijl wordt het hyperrealisme genoemd.
Pop-art, op-art en landart
In de tweede helft van de twintigste eeuw experimenteerden kunstenaars erop los. Met vormen, materialen, maar ook met hun onderwerpen. Kunstenaars in de pop-art maakten kunstwerken van figuren of dingen uit de populaire cultuur, zoals Marilyn Monroe en Elvis. Op-art haalt trucjes uit met je ogen door visuele illusies. En kunstenaars als Christo trokken naar buiten om landschappen of gebouwen in te pakken met zijn landart. Meer hierover lees je in de betreffende infoblokken.
