Marcel Duchamp, Fietswiel (1951), naar verloren gegaan voorbeeld uit 1913, Museum of Modern Art, New York
Het waren onder andere Pablo Picasso en Georges Braque die er voor zorgden dat de beeldhouwkunst sensationeel veranderde aan het begin van de twintigste eeuw. Eeuwenlang waren de traditionele materialen van de beeldhouwer marmer, brons of klei geweest. Nu werd er gekozen voor karton, plaatijzer, draad of hout. Alles mocht en alles kon!
Niet alleen het materiaal veranderde, maar ook de onderwerpen van de beeldhouwers. In de middeleeuwen zagen we voornamelijk religieus werk; stenen beelden bij de ingang van de kerk. In de barok zagen we ook mythologische figuren die meestal naakt, vol beweging en emotie ter decoratie dienden. In de twintigste eeuw kon alles onderwerp zijn. Zo maakte Picasso een sculptuur van een gitaar, maar het kon evengoed een vogel zijn of zelfs iets dat geen onderwerp had. Het was een abstract werk; vorm en materiaal waren het belangrijkste.
Fietswiel op een krukje
In 1913 monteerde Marcel Duchamp een fietswiel op een krukje. Zie afbeelding 10-7a. Dit stelde hij tentoon en verklaarde dat het een kunstwerk was. En een jaar later deed hij hetzelfde met een metalen flessenrek. Dit was het kunstpubliek niet gewend. Was dit nog wel kunst? Duchamp wilde laten zien dat (een combinatie van) kant-en-klare voorwerpen ook een kunstwerk kan zijn. Dergelijk werk noem je een ready-made. Hij speelt met de definitie van wat kunst is, maar ook van wat een kunstenaar is. Hij zet ons als kijker aan het denken. Zie afbeelding 10-7b.
Op afbeelding 5-1 t/m 5-4 kun je goed zien hoe kunstenaar Henri Matisse zijn vormen vereenvoudigde. In de laatste afbeelding kun je nog net een vrouwenrug herkennen. Maar als je de voorgaande afbeeldingen niet had, zou het dan nog steeds zo makkelijk zijn? Dit vereenvoudigen noem je stileren.
De kus
Een andere kunstenaar die vereenvoudigde vormen gebruikt is Constantin Brancusi (1876-1957). De van oorsprong Roemeense kunstenaar liet zich bij zijn werk ‘De kus’ van afbeelding 10-6 (1916) inspireren door de Franse beeldhouwer Rodin. Rodin maakte 20 jaar eerder een beeldhouwwerk met hetzelfde onderwerp, maar dan op een realistische manier. Kijken we naar Brancusi’s kus, dan zien we meer blok dan mens. Hij heeft minimale middelen en inkepingen gebruikt om ons het idee te geven van twee personen die kussen. Hij laat zien dat hij maar één blok heeft gebruikt om twee mensen uit te beelden. Eigenlijk een mooie gedachte: als je zoent dan word je ook één met die ander. Echte liefde.
Geometrische vormen
Worden de beelden niet alleen vereenvoudigd in hun vorm, maar daadwerkelijk teruggebracht tot geometrische vormen, dan spreken we over kubistische kunst. Die zien we niet alleen in de schilderkunst terug, maar ook in de beeldhouwkunst. Kijk maar naar het beeld van Henri Laurens op afbeelding 10-8. Als je niet weet dat het om een gezicht gaat, moet je echt goed kijken. Je herkent dan rechts een rond oog en links bijvoorbeeld een oor. Maar of je het onderwerp zonder deze aanwijzingen zou kunnen raden, is de vraag.
Expressie
Toch blijven er ook kunstenaars die behoefte hebben om hun gevoel te tonen op een manier zodat die begrijpbaar is voor de kijker. Deze beeldhouwers noemen we expressionisten. Expressie betekent uitdrukking van gevoelens. De sculpturen zijn meer herkenbaar en realistisch dan alle bovenstaande. Niet alleen vorm, maar ook inhoud is belangrijk. Komt de boodschap, het gevoel over bij de kijker? Op afbeelding 10-9 zie je een voorbeeld van expressionistische beeldhouwkunst van Ernst Barlach. Hij maakt ‘De wreker’ in 1914. Deze stroming is vooral bekend van de schilderkunst.
