Nog altijd spreken ridders en hun leven en wapens tot de verbeelding. Dat komt waarschijnlijk omdat je je als ridder goed kon onderscheiden van de gewone mensen. En bij ridders denk je vaak aan avonturen, mooie vrouwen en spannende gevechten. Maar ridder werd je niet zomaar.
Oorspronkelijk droegen soldaten geen harnas maar een maliënkolder: dit is een hemd van metalen ringetjes. Deze beschermde de ridder vooral tegen snijwonden. De maliënkolder is vanaf de Romeinse tijd tot in de vijftiende eeuw gebruikt. In de vijftiende eeuw werden er echter alleen onbeschermde delen van de romp mee bedekt, zoals de oksels.
Productie
Pas in de dertiende en veertiende eeuw was men technisch in staat om op grotere schaal ijzeren platen te produceren. Hierdoor konden grote harnasonderdelen worden gemaakt, zoals kurassen die borst en rug geheel bedekken. Een plaatharnas biedt betere bescherming - ook tegen steek- en slagwapens - en is ook nog eens lichter dan een maliënkolder.
Veertig kilo ijzer
Het harnas werd gemaakt door een smid, die de losse delen op maat van de drager maakte. De kunst was om alles zo soepel mogelijk te smeden. Meestal droegen ridders hun harnas op een paard, wat eenvoudiger was dan zelf ermee te lopen. Het beestje zelf kreeg er uiteraard een paar kilo bij. Ook voor de soldaat te voet werd het gaandeweg gewoon en betaalbaar om plaatharnassen te dragen. Een goed gesmeed harnas weegt ongeveer 40 kilo en een geoefend drager kan er een koprol mee maken en uiteraard weer opstaan om verder te vechten.
In de vijftiende en zestiende eeuw kende het harnas een grote bloei. In steden als Augsburg (Duitsland) en Milaan (Italië) werden harnassen op industriële schaal geproduceerd voor de export. Men kende er gespecialiseerde onderaannemers zoals de ‘platenmakers’ ("Plattner") en ‘handschoenenmakers’.
Het harnas als kunstwerk
In de zeventiende eeuw werden harnassen bijna niet meer gebruikt. Ze boden namelijk onvoldoende bescherming tegen vuurwapens en kruisboogpijlen. Harnassen bleven wel in trek als kunstwerk. Beroemde mensen werden op steeds fijnere en elegantere manieren afgebeeld op het harnas.
Hoe werd je ridder?
Ridders waren altijd mannen van adel. Dit kwam ook omdat ridder zijn heel duur was. Ridders hadden een opleiding nodig waarvoor dure spullen nodig waren. Veel geld hebben was dus belangrijk, maar je kon ook ridder worden als je veel land had. Land gaf in de middeleeuwen veel aanzien en bracht geld op. Ridders moesten zo vroeg mogelijk met hun opleiding beginnen. Toekomstige ridders moesten vanaf hun zevende werken in een kasteel. Hier moesten ze tafels moest leren dekken en kregen ze les in goede manieren. Op de binnenplaats van een kasteel leerden soldaten de jongens vechten met stukken hout of botte wapens. Daarnaast deden ze ook aan worstelen en zwemmen om in vorm te blijven.
Paard op wieltjes
Het eerste paard van een ridder was een houten paard dat op wieltjes vooruit getrokken werd door anderen. Met een bezem die als lans diende, werden aanvallen te paard geoefend. Als de jongens 14 jaar werden, werden ze 4 jaar lang schildknaap. Dit hield in dat ze een ridder moest helpen met de voorbereiding op toernooien en gevechten en in oorlogen aan zijn zijde mee moest vechten. Als de schildknaap deze 4 jaar goed had doorlopen, werd hij tot ridder geslagen. Door een zwaard en gouden sporen te dragen kon iedereen ridders meteen herkennen.
