Nadat je onderzoek hebt gedaan naar een bepaald onderwerp, moet je de onderzoeksresultaten in een uitgebreider verslag presenteren. Het werkstuk. Welke onderdelen moeten er allemaal in een werkstuk zitten?
Een werkstuk begint met een titelblad. Dit dient voorzien te zijn van: een titel, eventueel met ondertitel. Verder moet de naam (namen), klas, vak, docent, datum genoemd worden.
Opbouw van het werkstuk
Inhoudsopgave
In de inhoudsopgave kan een lezer in 1 keer zien uit welke hoofdstukken het werkstuk bestaat en op welke pagina die te vinden zijn. Verder staan hier ook de paginanummers van de bronnenlijst en de eventuele bijlagen.
Inleiding
In de inleiding van het werkstuk moeten de volgende punten aan bod komen:
- de argumentatie voor de keuze van het onderwerp;
- de hoofdvraag en eventueel de hypothese;
- de deelvragen (indien geformuleerd);
- een globale beschrijving van de gevolgde werkwijze en de gebruikte bronnen;
- de zin die het maken van dit werkstuk voor jou heeft gehad.
De kern van het werkstuk bestaat uit verschillende hoofdstukken die elk voorzien zijn van een titel. Elk hoofdstuk begint op een nieuwe pagina. Het geheel moet een logische en heldere opbouw te zien geven en in overeenstemming zijn met de door de docent gegeven opdrachten en/of adviezen.
Slot
Het slot moet duidelijk aansluiten bij de inleiding en mag geen nieuwe informatie bevatten. Het geeft een beschrijving van de conclusie, de eigen mening, aanbevelingen en/of een samenvatting van de hoofdpunten.
Bronnenlijst
De bronnenlijst geeft een overzicht van de gebruikte informatiebronnen. Orden je informatiebronnen in deze lijst alfabetisch op schrijversnaam. Bij het opstellen van de bronnenlijst gelden de volgende regels wat betreft lay-out en informatie over de bron:
Boek
Als de bron een boek is, geef het dan als volgt weer: naam auteur - voorletters – titel - (uitgeverij, plaats van uitgave, jaar van uitgave, gebruikte delen of pagina's).
Voorbeeld: Manning, A.F., Zestig jaar KRO. Uit de geschiedenis van een omroep. (Ambo, Baarn, 1985, pagina 15 t/m 33)
Artikel
Als de bron een tijdschrift- of krantenartikel is, geef het dan als volgt weer: naam auteur - voorletters -"titel van het artikel", titel van het tijdschrift - jaargang (maand, jaar) nummer, paginanummers.
Voorbeeld 1: Geugten, T., van, "Intercultureel leren in het studiehuis. Tweede Fase-experimenten met het onderwijspakket Indisch in Nederland", Geschiedenis in de klas, 16 (mrt 1997) no. 49, pp 31-35.
Voorbeeld 2: Ree, E., van, "Hitler was Stalin net voor". De Volkskrant (21-01-1995).
Cd-rom
Als de bron een cd-rom is, geef dan een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding waarin in elk geval de titel en de uitgever voorkomen.
Voorbeeld: cd-rom, 500 Nations. Stories of the North American Indian experience (Microsoft Home).
Internet
Als je een internetbron hebt gebruikt, geef dan een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de gebruikte pagina en een vermelding van de datum van raadpleging.
Voorbeeld: "Toeristische routes langs Archeologische Projecten", geraadpleegd d.d. 10 januari 2000, via: http://www.archis.nl/projects/traphome.html.
Bijlagen
Materiaal dat van essentieel belang is voor een goed begrip van de tekst of waar regelmatig naar verwezen wordt, moet als bijlage worden toegevoegd. Het logboek is vaak een verplichte bijlage bij het werkstuk.
Deze bijlagen moeten voorzien zijn van een nummer/letter en van een titel en zo ook in de inhoudsopgave worden genoemd. Verwijs in de hoofdtekst duidelijk naar eventuele bijlagen.
Illustraties, tabellen, grafieken
Illustraties, tabellen en grafieken moeten een wezenlijke aanvulling vormen op de tekst. Illustraties moeten voorzien zijn van een korte, verklarende tekst en een bronvermelding. Tabellen en grafieken moeten voorzien zijn van een nummer en (eventueel) van een bronvermelding als volgt: Bron: (titel), plaats, jaar, pag. nr.
Noot: controleer bij je school welke specifieke eisen zij stellen aan het werkstuk voordat je aan je werkstuk begint. Bij twijfel altijd even met je docent overleggen.
