Het gedrag van dieren is vaak kenmerkend voor de soort. Elke soort heeft een eigen gedragrepertoire, dat samenhangt met haar natuurlijke leefomgeving.
Soms dankt een dier zijn naam aan een opvallend onderdeel van zijn gedrag. Spinnen spinnen bijvoorbeeld draden om er een web van de maken. En een luiaard beweegt zich heel traag voort. En wat denk je van een brulaap? Die is tot ver in de omtrek te horen.
Zintuigen
Dieren gebruiken in dezelfde situatie andere zintuigen. Een jonge poes gebruikt bijvoorbeeld de ogen om te weten waar ze veilig kan lopen, terwijl ratten voelen. Hazen gebruiken hiervoor hun oren. Hoort hij iets wat hij niet verwacht? Dan gaat hij er als een haas vandoor.
Vogels
Ieder vogeltje zing zoals hij gebekt is, klinkt het spreekwoord. En dat is echt zo. Elke vogel maakt een ander geluid. Dit is handig voor de voortplanting. Zo weten de vogels precies waar hun soortgenoten zitten. En dit geldt ook voor de nesten die de vogels maken. Je kunt precies aan het nestje zien, welke vogel het gebouwd heeft.
Uiterlijk en gedrag
Paradijsvogels leven in de oerwouden van Nieuw Guinea. De mannetjes vertonen in de voortplantingstijd ingewikkeld baltsgedrag. Hun kleurig uiterlijk maakt het gedrag extra opvallend. Het uiterlijk van pauwen en kalkoenen ondersteunt het gedrag ook.
Eend en kip
Een kip kan eendeneieren uitbroeden. Als dit gebeurt, denken de jonge eendjes dat de kip hun moeder is. Maar als ze achter de kip aanlopen en onderweg een sloot tegenkomen, gaan ze zonder aarzelen te water. De moederkloek blijft dan op de oever achter. Dit heeft te maken met het gedrag van eenden. Ze ‘weten’ dat ze kunnen zwemmen.
