Fossielen zijn versteende overblijfselen van organismen of afdrukken van organismen in gesteenten. De meeste zijn ouder dan 10.000 jaar. Fossielen kunnen zowel van planten als van dieren afkomstig zijn. Er zijn zelfs fossiele bacteriën. De wetenschap die zich bezighoudt met de studie van fossielen heet paleontologie.
Fossielen ontstaan als organismen sterven en worden bedekt door zand of klei. Door de eeuwen heen komt er steeds meer zand op het organisme te liggen. Dit noem je een sediment. Doordat het zand erg veel druk uitoefent op het dode organisme versteent het langzaam.
Reconstructie
Als een fossiel miljoenen jaren na de dood van het organisme gevonden wordt, kun je soms steeds zien hoe het er vroeger uit heeft gezien. Is dit niet zo, dan proberen wetenschappers er toch een voorstelling van te maken. Dit heet reconstrueren.
Gidsfossielen en aardlagen
Sommige fossielen van een soort organisme liggen in één laag, sommige in verschillende lagen. Elke laag staat voor een periode in de geschiedenis. Als een fossiel in één laag voorkomt, dan betekent dit dat deze soort maar even (één periode) geleefd heeft. Deze soort is dus snel weer uitgestorven. Fossielen die zodoende een bepaalde aardlaag markeren, noemt men gidsfossielen.
Evolutietheorie
Uit eenvoudig gebouwde organismen ontstaan, via een geleidelijke ontwikkeling, ingewikkelder gebouwde organismen. Door veranderingen van de erfelijke eigenschappen en natuurlijke selectie ontstaan nieuwe soorten. Je vindt fossielen van eenvoudige organismen in oude aardlagen. Fossielen van ingewikkeld gebouwde organismen vind je in jongere aardlagen. Je kunt hieruit opmaken dat organismen zich in de loop van de geschiedenis hebben ontwikkeld tot hoe ze er nu uit zien. Een aantal organismen is in de loop der tijd uitgestorven.
