Iedereen is anders. Er zijn mensen met blond, zwart, bruin en rood haar. En je hebt dikke en dunne mensen. Veel eigenschappen zijn erfelijk. Maar niet allemaal!
De informatie voor de erfelijke eigenschappen ligt opgeslagen in je genen. Deze genen zitten in de chromosomen van de kern van elke lichaamscel.
Chromosomen
Mensen hebben in elke lichaamscel 23 paar chromosomen. Deze zijn twee aan twee gelijk. Na de celdeling hebben de dochtercellen evenveel chromosomen als de moedercel. Bij de vorming van geslachtscellen ligt dit anders, hier bevat elke cel na deling 23 chromosomen, dus zijn de chromosomenparen gesplitst.
Geslachtschromosomen
De geslachtschromosomen bepalen of iemand een man of vrouw is. Dit gebeurt al op het moment van bevruchting. Bij de man zijn dit twee ongelijke chromosomen (X en Y). Vrouwen hebben twee gelijke chromosomen (X en X).
Genen
Een chromosoom bestaat uit genen. Hierin zit de informatie voor erfelijke eigenschappen. Bijvoorbeeld bij mensen of dieren de kleur van de ogen en bij suikerbieten het vermogen om grote hoeveelheden suiker in de knollen op te slaan.
Bloedgroepen
Ook de verschillen in bloedgroepen zijn erfelijk bepaald. Het hangt dus van je ouders af welke bloedgroep je hebt. De meest voorkomende bloedgroepen zijn A, B AB en O. Het is erg belangrijk om bij een bloedtransfusie zowel de bloedgroep van de donor als van de ontvanger te kennen. Want als bloedgroepen elkaar niet verdragen, klontert het bloed samen.
Uitzonderingen
Toch regelt het DNA niet alles. Vaak spelen ook milieufactoren een belangrijke rol bij de ontwikkeling. Zo is de voeding van grote invloed op de groei. Er zijn nog een hoop andere processen die nog niet helemaal door de wetenschap begrepen worden. Hoe lang en hoe dik de benen van iemand zullen zijn, kan dus niet zomaar voorspeld worden op basis van het DNA-patroon.
