De Eerste Wereldoorlog staat vooral bekend als loopgravenoorlog. Juist door die loopgraven kwamen er in vier jaar tijd kwamen maar liefst tien miljoen soldaten om. De grote slachtpartij begon in de zomer van 1916.
De Engelsen en de Fransen wilden de Duitse stellingen bij de rivier de Somme vernietigen. Hierdoor zou de infanterie ongehinderd hun loopgraven kunnen innemen en verder kunnen optrekken. Voor de aanval vuren de geallieerden een week lang anderhalf miljoen granaten af. Het geluid was zo hevig dat het aan de andere kant van het kanaal in Engeland wordt gehoord. Toch liep het mis.
Onder de grond
De Engelsen wisten niet dat de Duitsers zich diep in bunkers hadden ingegraven, soms tot wel 50 meter onder de grond. Het effect van hun artillerie-aanval valt daarom tegen. De bombardementen waren bovendien niet erg precies. Hierdoor waren er niet veel Duitse stellingen geraakt.
Val
Het enige wat de Duitsers hoefden te doen was wachten tot de aanvallen voorbij waren. Hierna konden ze de stellingen gewoon weer innemen en de nietsvermoedende Engelsen overmeesteren. Dit gebeurde op 1 juli 1916. Generaal Haig gaf het sein op aan te vallen, de Engelsen kropen vanuit de loopgraven omhoog de vijand tegemoet. Ze liepen recht in de val.
Slagveld
Duitse soldaten waren verbaasd om de Engelsen zo rustig te zien lopen. Het enige dat ze hoefden te doen was schieten. De Engelsen liepen zo dichtbij dat missen eigenlijk niet kon. Op de eerste dag van de slag aan de Somme sneuvelden er op deze manier alleen al 20.000 Britten. Ruim 35.000 raakten er gewond.
Uitputtingsslag
Ondanks de enorme verliezen ging de Slag aan de Somme de volgende dag door, en de weken erna, tot ver in november toen regen en kou er een einde aan maakten. Het was een uitputtingsslag geworden die de Britten niet konden winnen.
