Bio-Bits Bovenbouw: Gedrag van dieren

Vak:
Biologie

Opdrachten Gedrag van dieren

Vragen en opdrachten bij Bio-Bits

tijger en aap

Hier vind je de opdrachten bij het dossier Gedrag van dieren van Bio-Bits op Eigenwijzer. Gebruik de informatie op Eigenwijzer om de vragen te beantwoorden. Antwoorden krijg je door je muis naast het woord 'antwoord' te houden.

 

 


Oriëntatie
Maak de volgende vragen

Vraag 1
Welke informatie uit de omgeving gebruiken bijen, als ze hun soortgenoten door middel van een dans vertellen waar voedsel is te vinden?

Antwoord: De stand van de zon en de tijd van de dag.

Vraag 2
Hoe weet een hond, dat hij de grens van een territorium heeft overschreden?

Antwoord: Grenzen van territoria zijn aangegeven met geurmerken.

Vraag 3
Waaraan dankt de bijenwolf zijn naam?

Antwoord: Ze vangt bijen

Vraag 4
Wat is een sonar en welke dieren gebruiken sonar?

Antwoord: Opsporingssysteem met behulp van geluid. Vleermuizen, walvissoorten.

Vraag 5
Wat doet men met vogels om er achter te komen waar ze naartoe trekken?

Antwoord: Ze worden gevangen, gemerkt met ringen om de poot en daarna weer losgelaten. Als ze later weer worden gevangen of dood terug worden gevonden, geeft een nummer op de ring aan waar en wanneer ze gemerkt zijn.

Vraag 6
Als de dagen langer worden trekken stekelbaarzen de rivieren binnen. Hoe noem je een factor zoals de daglengte, die invloed heeft op een levend wezen?

Antwoord: Abiotische milieufactor

Vraag 7
Een rat kan zich pas in een doolhof oriënteren als hij eerst de weg heeft leren kennen. Hoe heet het leerproces, dat daarbij de hoofdrol speelt?

Antwoord: Trial and error

Vraag 8
Wat gebeurt er met een dier, dat zich tijdens het vliegen op de maan oriënteert en onderweg een vuurtoren ontmoet?

Antwoord: Het gaat er omheen cirkelen in steeds nauwere kringen en vliegt tenslotte tegen de vuurtoren aan.

Vraag 9
Welk gedragskenmerk is verantwoordelijk voor de naam processierups

Antwoord: De rupsen trekken in een processie van boom tot boom.

Vraag 10
Welke stern uit eigen land trekt elk jaar van Noord Europa naar het zuidpoolgebied en terug?

Antwoord: Noorde stern


Gedrag en functie
Maak de volgende vragen!

Vraag 1
Wat bedoel je met het woord lek, zoals die bij korhoenders voorkomt?

Antwoord: Een gemeenschappelijke dansplek, die ook wel eens arena heet. Hier komen de mannen in het voorjaar bij elkaar.

Vraag 2
Een worm leeft in symbiose met een heremietkreeft. Wat betekent het woord symbiose?

Antwoord: Twee of meer dieren van verschillende soorten leven samen.

Vraag 3
Veel vogels trekken in het najaar vanuit Nederland naar het zuiden. Wat is de zin van dit gedrag?

Antwoord: In de winter is hier te weinig voedsel. In warmere streken is nog wel voedsel te vinden.

Vraag 4
Wat is een discusvis?

Antwoord: Een baarsachtige vis uit het Amazonegebied, waarvan beide ouders de jongen met een afscheidingsproduct van de huid voeden. Discusvissen worden in Nederland door aquariumhouders gehouden.

Vraag 5
Welk zintuig gebruikt de kievit om te weten waar een worm uit de grond is gekomen?

Antwoord: De ogen.

Vraag 6
Vogels nemen graag een zandbad. Wat is het nut daarvan?

Antwoord: Parasieten tussen de veren worden erdoor afgeschud.

Vraag 7
Wat versta je in de biologie onder een territorium?

Antwoord: Een gebied met duidelijke vastliggende grenzen, dat door een dier of door groep dieren wordt verdedigd.

Vraag 8
Waar vind je in Nederland grote aantallen korhoenders?

Antwoord: Korhoenders zijn in Nederland vrijwel uitgestorven. Op de Holterberg in Overijssel komt nog een klein aantal voor.

Vraag 9
Wat is burlen?

Antwoord: De roep van een hertenbok in de bronsttijd.

Vraag 10
Hoe beschermt een heremietkreeft zijn zachte achterlijf tegen vijanden?

Antwoord: Het dier woont in een slakkenhuis, dat zijn achterlijf helemaal omgeeft.


Erfelijk of aangeleerd
Maak de volgende vragen!

Vraag 1
Waarom zijn eeneiige tweelingen zo geschikt om na te gaan of een bepaalde gedragsuiting op genetische gronden berust of niet?

Antwoord: De twee individuen hebben hetzelfde genotype, zodat verschillen vooral berusten op verschillen in omgevingsinvloeden.

Vraag 2
Jonge vinken leren een deel van hun zang voordat ze zelf kunnen zingen. Het hierbij betrokken leerproces is een vorm van inprenten. Wat is inprenten?

Antwoord: Inprenten of inprenting is een vorm van leren die alleen in een bepaalde gevoelige periode verloopt.

Vraag 3
Is aangeboren hetzelfde als overerfbaar? Wat is het verschil?

Antwoord: Het is niet hetzelfde. Aangeboren betekent alleen, dat een eigenschap bij de geboorte al min of meer aanwezig is. Er werken ook voor de geboorte al milieu-invloeden in op het kind. Een aangeboren eigenschap kan daarom best door een milieufactor zijn veroorzaakt. Overerfbare eigenschappen komen anderzijds niet altijd tot uiting.

Vraag 4
Waarom is het voor jonge vinken minder belangrijk om snel te weten wat de moeder is dan voor jongen gansjes?

Antwoord: Vinken zijn nestblijvers. De ouders komen wel naar de jongen in het nest. Ganzen zijn nestvlieders, die zelf moeite moeten doen om bij de moeder in de buurt te blijven.

Vraag 5
Thorpe toonde aan dat een vink geen tabula rasa is, maar beschikt over aangeboren gedrag. Wat is een tabula rasa en wat heeft dat woord met gedragonderzoek te maken?

Antwoord: Een 'tabula rasa' is een ' onbeschreven blad'. Het begrip komt van een groep filosofen, zoals John Locke, die dachten dat het gedrag van een dier (en ook van een mens!) na de geboorte nog volledig moest worden gevormd. Aangeboren gedragseigenschappen waren er volgens deze filosofen niet.

Vraag 6
Bij de wenkbrauwgroet trek je je wenkbrauwen snel even op, terwijl je iemand aankijkt. Waarom wordt deze groet opgevat als een sterk argument ten gunste van de erfelijke basis van bepaalde menselijke gedragingen?

Antwoord: De groet komt over de hele wereld bij totaal verschillende volken en in totaal verschillende culturen op dezelfde wijze voor. Er wordt overal ook op dezelfde wijze op gereageerd.

Vraag 7
Er worden wel eens leeuwen thuis opgevoed om ze later in de Afrikaanse natuur weer los te laten. Deze leeuwen moeten eerst uitgebreid worden getraind in de jacht. Wat zegt dit over de invloed van de erfelijkheid op het gedrag van leeuwen?

Antwoord: Het jagen is geen kant en klaar aangeboren gedrag maar berust op leerprocessen.

Vraag 8
Johan Cruyff was een geweldige voetballer. Zijn zoon Jordi voetbalt ook goed. Is hiermee bewezen dat het goed kunnen voetballen op het genotype berust?

Antwoord: Nee. Het kan ook zijn dat de vader het voorbeeld is voor de zoon. Dit is een duidelijke milieufactor. Het kan zelfs zijn dat het volledig toeval is dat vader en zoon beiden zo goed voetballen.

Vraag 9
Het uiterlijk van een dier berust op de wisselwerking tussen milieu en genotype. Welke term gebruik je in dit verband voor het uiterlijk?

Antwoord: Fenotype

Vraag 10
Een meeuwenkuiken hoeft het bedelen niet te leren. Om het bedelgedrag op te roepen is wel een duidelijk signaal nodig. Dat is de rode vlek op de ondersnavel van de oudermeeuw. Hoe heet zo'n duidelijk signaal dat altijd een vaste reactie teweeg brengt?

Antwoord: Sleutelprikkel


Signalen en sleutelprikkels
Maak de volgende vragen!

Vraag 1
Stekelbaarzen verdedigen een broedterritorium. Wat is het nut van zo'n territorium?

Antwoord: Het biedt genoeg ruimte om de jongen op te laten groeien

Vraag 2
Een stekelbaarsvrouw legt per gram lichaamsgewicht weinig eieren, maar die zijn wel erg groot. Een haring legt heel veel kleine eieren. Waarom heeft de ene soort veel kleine eieren, terwijl een andere soort een klein aantal grote eieren legt?

Antwoord: Broedzorg geeft de eieren van de stekelbaars meer kans op uitkomen. Van de eieren van de haring gaan er heel veel verloren.

Vraag 3
Tinbergen kreeg z'n nobelprijs niet voor de biologie, maar waarvoor dan wel?

Antwoord: Medicijnen, fisiologie

Vraag 4
Een vechtstier is kleurenblind. Wat is voor dit dier een signaal voor de aanval op de stierenvechter?

Antwoord: Niet de kleur, maar de bewegingen van een doek.

Vraag 5
Hoe komt het dat meeuwenkuikens niet erg opvallen in hun omgeving en hoe heet dit?

Antwoord: Ze zijn gevlekt, camouflage.

Vraag 6
De alarmroep van verschillende soorten vogels is vrijwel gelijk. Welk nut heeft het dat het alarmsignaal niet erg soortspecifiek is?

Antwoord: Iedere vogel in de buurt weet meteen dat er onraad is.

Vraag 7
Gedrag hangt niet alleen samen met signalen, maar ook met motivatie. Wat versta je onder motivatie?

Antwoord: Motivatie is de inwendige bereidheid (drang) om een bepaald gedrag te uiten.

Vraag 8
Wat is een gedragssysteem?

Antwoord: Een groep samenhangende gedragselementen.

Vraag 9
Het werk van Tinbergen is een goed voorbeeld van objectief wetenschappelijk onderzoek. Wat is objectief onderzoek?

Antwoord: Hierbij worden de waarnemingen en metingen als uitgangspunt gebruikt. Meningen tellen niet mee.

Vraag 10
Lorenz noemde het totaal van sleutelprikkels in een babygezicht het kindschema. Noem enkele van die sleutelprikkels.

Antwoord: Een rond gezichtje, bolle wangen, wipneusje, grote ogen, klein mondje, verhoudingsgewijs groot hoofd, mollig uiterlijk.


Leren
Maak de volgende vragen

Vraag 1
Een vogelverschrikker werkt meestal maar kort. Daarna trekken de vogels zich er niets meer van aan. Welk leerproces speelt hier de hoofdrol?

Antwoord: Vogels merken dat de vogelverschrikker ze niets doet. Het leerproces heet gewenning.

Vraag 2
De kniepeesreflex is een onvoorwaardelijke reflex. Hoe heet de reflex van honden, die speeksel vormen, nadat ze hebben geleerd dat een tikkende metronoom iets met vlees te maken heeft? Wat is het verschil tussen beide reflextypen?

Antwoord: Een onvoorwaardelijke reflex verloopt zonder voorafgaand leerproces. De honden vertonen een voorwaardelijke reflex, waar een leerproces aan vooraf ging.

Vraag 3
Wanneer leefde Pavlov? Wanneer kreeg hij een nobelprijs en waarvoor kreeg hij die?

Antwoord: Hij leefde van 1849-1936. De nobelprijs kreeg hij in 1904, voor 'Physiology or Medicine'

Vraag 4
Wat is het verschil tussen 'trial and error' en inzicht?

Antwoord: Trial and error levert al doende toevalligerwijs een oplossing. Inzicht berust op een plan, op nadenken alvorens iets te doen.

Vraag 5
Wat is het centrum van Broca?

Antwoord: Een deel van de hersenen dat met het leren en begrijpen van de taal te maken heeft.

Vraag 6
Wat is kinesthesie (of kinesthesis) ? Hoe maak je daarvan gebruik in een doolhof?

Antwoord: Kinesthesie vertelt je hoe de verschillende delen van het lichaam ten opzichte van elkaar staan. Je kunt veranderingen daarin onthouden. Die informatie zegt je daarna, welke bochten je in een doolhof moet maken om zonder te kijken de weg te vinden.

Vraag 7
Als je merkt dat er snel iets op je ogen afkomt doe je ze bliksemsnel dicht. Welke reflex is dit en wat is de functie ervan?

Antwoord: De ooglidreflex, de ogen worden beter beschermd als ze gesloten zijn.

Vraag 8
De speekselproductie bij de mens staat onder invloed van het autonome zenuwstelsel. Welk deel daarvan stimuleert het vormen van speeksel?

Antwoord: Het parasympatische deel.

Vraag 9
Wat versta je onder motivatie? Waar ligt het hersengedeelte, dat bij een hongerige rat het voedselzoeken stimuleert door de motivatie te vergroten?

Antwoord: Motivatie is de bereidheid om iets te doen. De hersenstam is verantwoordelijk voor het vergroten van de motivatie om voedsel te zoeken.

Vraag 10
Waarom moet je direct na een waarneming of meting de uitkomsten opschrijven en niet wachten tot later? Hoe heet een nauwkeurige weergave van je resultaten?

Antwoord: Als je het opschrijven uitstelt, is je geheugen niet betrouwbaar genoeg. Je maakt een protocol.


Kenmerkend gedrag
Maak de volgende vragen

Vraag 1
Konijnen eten hun eigen verse keutels op. Wat is de zin daarvan?

Antwoord: Ze krijgen zo vitamines en eiwitten binnen, die in hun darm door bacteriën zijn gemaakt.

Vraag 2
Wat is een liger?

Antwoord: Een soortkruising tussen een mannetjesleeuw en een vrouwtjestijger.

Vraag 3
Scharrelkippen worden niet in legbatterijen gehouden, maar op een meer diervriendelijke manier ondergebracht. Hoe weet je, dat een ei in de winkel afkomstig is van een scharrelkip?

Antwoord: De eieren hebben een keurmerk.

Vraag 4
De koekoek is een broedparasiet. Wat betekent dat?

Antwoord: Een broedparasiet laat zijn jongen door een andere diersoort groot brengen.

Vraag 5
Sneeuwuilen leven in de toendra in hoge noorden. Anders dan de meeste uilen jagen ze bij daglicht. Waarom mag je zeggen dat het gedrag van de sneeuwuil past bij de natuurlijke leefomgeving van deze vogelsoort?

Antwoord: In het broedseizoen is het in het hoge noorden altijd licht. De uil kan niet in het donker jagen.

Vraag 6
Welk risico brengt hun kenmerkende oprolgedrag tegenwoordig mee voor de egels?

Antwoord: Ze rollen zich op bij gevaar en beseffen niet, dat dit niet helpt als er een auto aankomt.

Vraag 7
Gierzwaluwen slapen en paren op een onverwachte plaats. Waar?

Antwoord: Ze slapen en paren in de lucht.

Vraag 8
Koalabeertjes zijn erg selectief in de keus van hun voedsel. Ze eten alleen de oudere blaadjes van een bepaalde boomsoort. Om welke boomsoort gaat het. Waar ruiken de blaadjes naar? Waarom eten koala's alleen de oudere blaadjes?

Antwoord: Ze eten de bladeren van de eucalyptusboom. Jonge blaadjes bevatten teveel giftig blauwzuur. De blaadjes ruiken naar menthol.

Vraag 9
Wat is een fret? Hoe maakt de mens gebruik van het kenmerkende jachtgedrag van dit dier?

Antwoord: Een marterachtig roofdier, dat konijnen en ratten in hun holen achtervolgt. De mens gebruikt de fret voor de konijnenjacht.

Vraag 10
Hazen zijn belangrijk voor de in het waddengebied overwinterende ganzen. Waarom?

Antwoord: Hazen eten zeealsem en zoutmelde, die de voedselplanten voor de ganzen kunnen verdringen. Zo zorgen ze dat de voedselplanten voor de ganzen voldoende ruimte houden om te groeien.


Leven in groepen
Maak de volgende vragen

Vraag 1
Jonge gansjes lopen zo gauw ze kunnen achter de moedergans aan en leren binnen enkele uren hun moeder herkennen. Hoe heet dit leerproces?

Antwoord: Inprenten

Vraag 2
Naaktmollen zijn geen familie van de mol maar van ratten en muizen. Welk kenmerk van de naaktmol wijst erop dat het een knaagdier is?

Antwoord: De duidelijke zichtbare knaagtanden.

Vraag 3
Mieren, termieten, wespen en bijen vormen staten. Drie van deze groepen zijn nauw aan elkaar verwant. Welke van de vier is de uitzondering?

Antwoord: Termieten

Vraag 4
Hoe noem je het als twee dieren van verschillende soorten samenleven?

Antwoord: Symbiose

Vraag 5
Tussen de veren van een vogel leven luizen en andere kleine lastposten ten koste van de vogel. Hoe noem je deze vorm van samenleven?

Antwoord: Parasitisme

Vraag 6
Een heremietkreeft leeft samen met een zeeanemoon. De anemoon eet wat de kreeft overlaat en verdedigt de heremietkreeft tegen vijanden. Hoe heet deze vorm van samenleven?

Antwoord: Mutualisme

Vraag 7
Een belangrijk begrip in de biologie is het begrip populatie. Wat versta je daar onder?

Antwoord: Alle individuen van eenzelfde soort, die in een bepaald gebied leven en zich onderling voortplanten.

Vraag 8
Pinguïns in een broedkolonie leven samen in een groep. Toch is dit geen levensgemeenschap. Wat is een levensgemeenschap dan wel?

Antwoord: Een groep populaties van verschillende soorten in een bepaald gebied.

Vraag 9
Bij futen speelt geritualiseerd poetsgedrag een rol bij het instandhouden van de paarband. Wat is het verschil tussen geritualiseerd poetsgedrag en gewoon poetsgedrag?

Antwoord: Gewoon poetsgedrag is bedoeld om de veren schoon te maken, geritualiseerd poetsgedrag is een signaalhandeling.


Baltsgedrag
Maak de volgende vragen

Vraag 1
Huxley maakte een ethogram van de fuut. Wat is een ethogram?

Antwoord: Een nauwkeurige, objectieve beschrijving van het gedrag van een diersoort.

Vraag 2
Tijdens zijn onderzoek maakte Huxley een protocol van het waargenomen gedrag. Wat is een protocol?

Antwoord: Een lijst waarin alles achter elkaar is opgenomen, wat wordt waargenomen, vergelijkbaar met bijvoorbeeld een procesverbaal.

Vraag 3
Wat heeft de hypofyse van een vogel met de balts te maken?

Antwoord: Het baltsgedrag staat onder invloed van hypofysehormonen.

Vraag 4
Welke abiotische factor heeft grote invloed op het beginnen van het voortplantingsgedrag van Nederlandse vogels?

Antwoord: De daglengte, de hoeveelheid licht per dag.

Vraag 5
Wat zijn feromonen?

Antwoord: Aan de omgeving afgegeven geurstoffen, die een rol spelen bij de communicatie tussen soortgenoten.

Vraag 6
Wat betekent het woord: bronsttijd?

Antwoord: De periode waarin een zoogdiersoort tot voorplanting overgaat.

Vraag 7
Welk dier heet de Hollandse nachtegaal en waaraan dankt het deze naam?

Antwoord: De groene kikker. Hij maakt tijdens de paartijd, vooral 's nachts, harde geluiden.

Vraag 8
Welke inheemse meeuwensoort heeft in het voortplantingsseisoen een zwarte kop?

Antwoord: De kokmeeuw (heet ook wel kapmeeuw).

Vraag 9
Waarom is Nederland zo belangrijk voor de kluut?

Antwoord: Een groot deel van de Europese kluten broedt langs onze kust.

Vraag 10
Waarom wordt de vogel met de wetenschappelijke naam Grus grus in veel landen zo bewonderd?

Antwoord: Grus grus is de kraanvogel, die bekend is door zijn groepsdans. Een verwante soort is de nationale vogel van Japan.


Genen
Maak de volgende vragen

Vraag 1
Wanneer verscheen de eerste druk van het boek van Darwin over 'The origin of species'?

Antwoord: November 1859

Vraag 2
Wat verstaan we onder nepotisme?

Antwoord: Het helpen en bevoordelen van verwanten.

Vraag 3
Wat is verzoeningsgedrag? Ken je voorbeelden uit de voetbalsport?
Gedrag dat ervoor dient om de agressie van een soortgenoot te verminderen.
Antwoord: Spelers geven elkaar een hand na een overtreding. Ze steken de handen in de lucht tegenover de scheidsrechter.

Vraag 4
Wat is het verschil tussen darwinisme en neodarwinisme?

Antwoord: Neodarwinisme houdt rekening met genetische verschillen. De invloed van genen en het bestaan van genen was nog niet ontdekt toen Darwin zijn evolutietheorie publiceerde.

Vraag 5
Onderzoek over altruïsme gaat vaak over primaten. Welke vier groepen horen bij de primaten?

Antwoord: Halfapen, apen, mensapen, mensen.

Vraag 6
Wat bedoelt men als men zegt dat bijen feromonen gebruiken om elkaar als lid van hetzelfde volk te herkennen?

Antwoord: Ze ruiken en herkennen de groepseigen feromonen.

Vraag 7
Wat is het tegengestelde van altruïsme?

Antwoord: Egoïsme

Vraag 8
Wat betekent 'fittest' als in de evolutietheorie over 'survival of the fittest' wordt gesproken?

Antwoord: De best aangepaste, lang niet altijd de sterkste.

Vraag 9
Waarom zijn er in de winter geen darren (mannetjesbijen)?

Antwoord: De werksters maken de darren voor de winter dood.

Vraag 10
Waarom gaat een bij dood als ze je gestoken heeft?

Antwoord: De angel wordt afgerukt en blijft in de huid achter.


Diergedrag en mensen
Maak de volgende vragen

Vraag 1
Waaraan dankt de oehoe zijn naam?

Antwoord: Aan het geluid dat hij voortbrengt: oehoe

Vraag 2
Welk insect wordt al duizenden jaren als huisdier gehouden?

Antwoord: Bij

Vraag 3
Waarom willen we sommige dieren, zoals kuikentjes en poesjes, graag vertroetelen?

Antwoord: Ze hebben sleutelprikkels, die ons ertoe overhalen ze leuk te vinden.

Vraag 4
Welk leerproces zorgt ervoor dat vogels na een tijdje niet bang meer zijn voor een vogelverschrikker?

Antwoord: Gewenning

Vraag 5
Iemand leert een papagaai praten door voortdurende bepaalde woorden tegen de vogel te zeggen. Om welk leerproces gaat het hier?

Antwoord: Imitatie

Vraag 6
Frederik II was een van de eersten die een hypothese opstelde. Wat is de bedoeling van een hypothese?

Antwoord: Een mogelijke verklaring voor een verschijnsel formuleren en daarna een test bedenken om deze verklaring experimenteel te toetsen

Vraag 7
Beren kunnen een eigen manier vinden om zalmen te vangen. Welk leerproces is hiervoor nodig?

Antwoord: Trial and Error

Vraag 8
In het Engels kent men het woord decoy. Zoek eens uit wat dit woord met Nederland en de jacht op eenden te maken heeft.

Antwoord: Het woord decoy komt van het Nederlandse woord eendenkooi. In een eendenkooi worden lokeenden gebruikt om wilde eenden in de val te lokken.

Vraag 9
Er zijn in de loop van de tijd allerlei hondenrassen gefokt voor speciale doeleinden. Waarvoor werd de teckel (dashond) gefokt?

Antwoord: Voor de jacht op vossen, dassen en andere holbewonende dieren.

Vraag 10
Wat betekent de uitdrukking 'iemand een loer draaien' en wat heeft dat met de valkerij te maken?

Antwoord: Iemand eens flink beetnemen. Een loer is een namaakprooi die wordt rondgedraaid om een valk af te richten.


Dominantie
Maak de volgende vragen

Vraag 1
De heilige ibis en de heilige baviaan zijn twee dieren, die in Egypte dezelfde godheid voor konden stellen. Welke godheid is dit en welke uitvinding staat op zijn naam?

Antwoord:Thot, uitvinder van het schrift.

Vraag 2
Wat is de wetenschappelijke naam van de mantelbaviaan?

Antwoord: Papio Hamadryas

Vraag 3
Hoe heet het geluid waarmee edelherten concurrenten uitdagen?

Antwoord: Burlen

Vraag 4
Mannelijk gedrag hangt samen met een bepaald hormoon. Welk hormoon is dat?

Antwoord: Testosteron

Vraag 5
Wat is verzoeningsgedrag, zoals dat voorkomt in een groep mantelbavianen of wolven?

Antwoord: Gedrag dat werkt als een signaal om het dominante dier te kalmeren en om de agressie af te remmen.

Vraag 6
Als twee ongeveer even sterke dieren een conflict krijgen, lijken ze soms te twijfelen tussen aanvallen en vluchten. Hoe heet het gedragstype dat ze dan vertonen?

Antwoord: Ambivalent gedrag

Vraag 7
Het beleid ten aanzien van de emancipatie hangt samen met normen en waarden. Wat zijn normen?

Antwoord: Normen zijn gedragsregels waarvan we vinden dat we ons eraan moeten houden.

Vraag 8
Waarom is het krijgen van kinderen geen rolpatroon. Hoe zit dat met de opvatting dat een vrouw de baby hoort te verschonen?

Antwoord: Het krijgen van kinderen is voor een man onmogelijk. Zowel een man als een vrouw kan de baby verschonen. Als het gewoon gevonden wordt, dat alleen de moeder het kind verschoont, berust dat op het denken in rollenpatronen.

Vraag 9
Twee mensen vechten. De een gaat er al gauw vandoor. De winnaar geeft z'n hond nog eens een gemene trap. Hoe heet zulk gedrag, waarbij hij zijn woede koelt op de hond?

Antwoord: Omgericht gedrag, omgerichte agressie

Vraag 10
Een kudde Afrikaanse olifanten staat onder leiding van een dominante matriarch. Wat bedoelt men hier met het woord matriarch?

Antwoord: Een ervaren vrouwtje, dat de leiding heeft over de kudde.


Inprenten en opvoeden
Maak de volgende vragen

Vraag 1
Waar houdt een orthopedagoog zich mee bezig?

Antwoord: Hij behandelt verstoorde opvoedings- en onderwijsprocessen.

Vraag 2
Een bang aapje vlucht afwisselend naar de moeder en gaat weer even op onderzoek. In dit gedrag hebben nieuwsgierigheid en angst beurtelings de overhand. Hoe noem je dergelijk gedrag?

Antwoord: Ambivalent gedrag

Vraag 3
Een dier, dat voortdurend wordt gepest door soortgenoten, produceert extra veel van een bepaald hormoon. Welk hormoon is dat en waar wordt het gevormd?

Antwoord: Adrenaline in de bijnieren

Vraag 4
Om kinderen te leren zich aan verkeersregels te houden kan de politie volstaan met het uitdelen van waarschuwingen aan overtreders. Dit werkt even, maar na verloop van tijd heeft een leerproces ervoor gezorgd dat niemand zich meer iets van de waarschuwingen aantrekt. Welk leerproces is dit en waarom werken de waarschuwingen niet meer?

Antwoord: Gewenning, er zijn geen nadelige gevolgen van de waarschuwingen, er volgt geen straf.

Vraag 5
De termen nestvlieder en nestblijver gebruik je voor vogels. Apen zou je nestblijvers zonder nest kunnen noemen. Waarom ?

Antwoord: Ze zijn eerst volledig afhankelijk van de moeder, maar ze blijven niet in een nest. De moeder draagt haar jong met zich mee.

Vraag 6
Jonge aapjes zien er 'lief' uit. Hun uiterlijk en gedrag vertedert niet alleen de oudere apen, maar werkt ook op mensen als een sleutelprikkel om ze lief te vinden. De aapjes doen ons aan mensenbaby's denken. Hoe heet het totaal aan sleutelprikkels, dat een babygezicht kenmerkt? Noem een paar van die sleutelprikkels.

Antwoord: Kindschema of babyschema. Grote ogen, rond gezichtje, kleine mond, naar verhouding groot hoofdje.

Vraag 7
Harlow was psycholoog. Hij interesseerde zich vooral voor het gedrag van mensen. Waarom deed hij dan proeven met apen en niet bijvoorbeeld met muizen?

Antwoord: Apen lijken van alle dieren in hun gedrag het meest op mensen. De resultaten van zijn onderzoek moesten zo goed mogelijk vertaalbaar zijn naar het gedrag van de mens.

Vraag 8
In Engeland zette de melkboer 's morgens flessen melk voor de deur van zijn klanten. Een mees ontdekte, dat hij de capsules stuk kon pikken en zo bij de melk kon komen. Andere mezen zagen dit en volgende het voorbeeld. Hoe noem je dit leerproces? Welk voordeel heeft het?

Antwoord:Imitatie, de dieren profiteren van elkaars ontdekkingen.

Vraag 9
Vinken en goudvinken moeten de zang van de eigen soort gedeeltelijk leren. Dat kan niet gedurende hun hele leven Wanneer kan het wel?

Antwoord:Tijdens een gevoelige periode.

Vraag 10
Jonge poesjes mogen pas 12 tot 13 weken na de geboorte van de moeder weggehaald worden. Waarom dan pas?

Antwoord:Pas na ongeveer 12 weken is hun sociaal gedrag voldoende ver ontwikkeld.


Haaien
Test je kennis over haaien voor het eindexamen vbo-mavo-D

Om je voor te bereiden op je examen heeft Eigenwijzer van het Cito onderstaande oude examenvragen gekregen. Beantwoord met behulp van onderstaande informatie de negen vragen. Er zijn vier multiple choice vragen (in de Haaien-test) en 5 open vragen. Als je op 'antwoord' achter de open vragen klikt, zie je het antwoord en het aantal punten dat je kan krijgen.

Totaal zijn er in deze test 17 punten te krijgen. Hoeveel heb jij er goed?

Bekijk eerst het volgende informatieblok over haaien en de Beeldbankclip!

Multiple choice vragen
Doe de Haaien test!

Vraag 1
In het infoblok staan verschillende eigenschappen van jagende haaien. Veel van deze eigenschappen stellen de haaien in staat om aan voedsel te komen. Leg dit van drie eigenschappen van de haaien uit.

Antwoord: Tanden met scherpe punten om prooien in stukken te bijten; Camouflage waardoor ze niet gezien worden door prooien; zijlijnsysteem om prooien te kunnen vinden; ogen met een tapetum om prooien op te sporen. Score:1 punt voor elke juiste eigenschap met uitleg (max 3)

Vraag 2
In het infoblok staat dat bij sommige haaien het water dat langs de kieuwen stroomt een rol speelt bij de voortbeweging. Wat is een andere functie van de waterstroom die langs de kieuwen gaat?

Antwoord: Aanvoer zuurstof / afvoer koolstofdioxide. Score: maximaal 1 punt.

Vraag 3
De walvishaai lijkt uitwendig op een walvis, maar toch zijn er grote verschillen, want een walvis is een zoogdier en een haai is een vis. Zo heeft een walvis meer voedsel nodig dan een even grote en even actieve walvishaai die in hetzelfde gebied leeft. Beide diersoorten eten vooral kleine garnalen, ook wel kril genoemd. Leg in twee stappen uit waardoor een walvis meer voedsel nodig heeft dan een vergelijkbare walvishaai.

Antwoord: Een walvis heeft meer brandstof / energie nodig (1 punt) om een constante lichaamstemperatuur te handhaven (1 punt)

Vraag 4
Er wordt aangeraden om niet te zwemmen of te duiken in gebieden waar robben leven. Welke haaiensoort levert daar vooral gevaar op voor de mens? Leg je antwoord uit.

Antwoord: Vooral de witte haai (1 punt). Uit de uitleg moet blijken dat witte haaien mensen voor robben aanzien / op robben jagen (1 punt)

Vraag 5
Bepaal met behulp van de determinatietabel tot welke groep de witte haai behoort. Noteer de nummers van de vragen uit de tabel die je hebt beantwoord.

Antwoord: 1-3-5- (1 punt tot hier) 6-7 makreelhaaien (+ nog 1 punt)