- Home
- Biologie
- Bio-Bits Onderbouw: Verscheidenheid
- Test jezelf
- Opdrachten Verscheidenheid
Bio-Bits Onderbouw: Verscheidenheid
- Vak:
- Biologie
Opdrachten Verscheidenheid
Vragen en opdrachten bij Bio-Bits
Hier vind je de opdrachten bij het dossier Verscheidenheid van Bio-Bits op Eigenwijzer. Gebruik de informatie op Eigenwijzer om de vragen te beantwoorden. Antwoorden krijg je door je muis naast het woord 'antwoord' te houden.
Zoekvragen
1. Zoek met behulp van Google op wat de verschillen tussen konijnen en hazen zijn. Noem bij beide soorten drie verschillende kenmerken.
2. Maak voor alle onderstaande bloemen één determinatiesleutel. Klik op de namen om de plaatjes te bekijken en let op vorm en kleur. Je mag in de sleutel niet meer dan drie vragen stellen!
Haagwinde
Driekleurig viooltje
Witte hyacint
3. Bedenk een aantal vragen waarmee je tien leerlingen uit jouw klas in een determinatiesysteem kunt plaatsen. Je moet de vragen zo maken, dat er steeds maar twee antwoorden mogelijk zijn. De vragen zijn gericht op goed zichtbare uiterlijke kenmerken. Laat een andere leerling met jouw sleutel de namen bepalen.
4. Zoek de Latijnse naam van de grove den en de papaja.
5. Sommige planten en dieren zijn ontstaan uit een kruising van soorten met bijzondere eigenschappen. Men noemt die planten en dieren varianten of cultivars. Op welke manier krijgen varianten of cultivars van een soort een naam?
6. Meld je aan op deze internetpagina. Je kunt de gegevens intoetsen van een wilde plant die je buiten gevonden hebt. Geen tuinplant! Zoek een plant en determineer deze.
Kijkvragen
Vraag 1
Geef een omschrijving van het begrip determineren.
Antwoord: Determineren is het achterhalen van de naam van een onbekend organisme met behulp van boeken of een determinatiesleutel.
Vraag 2
Waarom hebben planten en dieren ook een Latijnse naam?
Antwoord: Deze wetenschappelijke naam is bekend bij alle biologen. Zo weten alle biologen over welke plant of welk dier het gaat.
Vraag 3
De wetenschappelijke naam van een witte dovenetel is Lamium album L. Wat is de geslachtsnaam van deze plant? En wat is de soortaanduiding?
Antwoord: Geslachtsnaam: Lamium Soortaanduiding: album
Vraag 4
Welke onderzoeker heeft deze plantensoort de wetenschappelijke naam gegeven?
Antwoord: Carolus Linnaeus. Dat kun je zien aan de hoofdletter L achter de naam.
Vraag 5
Noem drie andere categorieën van voorwerpen die je zou kunnen determineren.
Antwoord: Auto's, spullen uit je etui, keukenmateriaal, bekende zangers, etenswaren, leraren, schoenen, kledingstukken enz.
Vraag 6
Noem bij elk voorwerpen van vraag 5 een kenmerk waarmee je dat voorwerp zou kunnen determineren.
Antwoord: Bij auto's: kleur, aantal deuren, vierwielaandrijving, bouwjaar, gas / benzine? enz. Bij spullen uit je etui: kun je ermee schrijven, kleur, kun je ermee wissen, moet je het slijpen, kun je er iets mee vastmaken? enz.
Vraag 7
Welke kenmerken kun je bij bomen gebruiken om ze in de winter te determineren? Noem er drie.
Antwoord: Aan de bast, aan de hoogte, aan het boomsilhouet, aan de knoppen
Zoekvragen
1. Niet alle vinken hebben dezelfde snavel. Waarom hebben insectenetende vinken dunne snavels? Zijn de snavels van vinken homoloog of analoog?
2. De berkenspanner kan zijn uiterlijk aanpassen aan de achtergrond waarop hij zit. Is deze aanpassing in vergelijking tot andere vlinders homoloog of analoog?
3. Kijk naar het plaatje van de poten van een schildpad op de website. Hoe noem je in het Nederlands het bot 'Humerus'?
4. Leg uit waarom men zegt dat olifanten en zeekoeien nauwe verwanten zijn?
5. Giraffen en zebra's leven in hetzelfde gebied. Giraffen hebben een lange nek en zebra's niet. Bedenk een oorzaak waardoor dat zo is. Gebruik in je antwoord het woord 'voedsel'.
Vraag 1
Noem drie overeenkomsten tussen de arm van een mens en de arm van een inktvis.
Antwoord: Pakken, voelen, ergens aan hangen.
Vraag 2
Een mens en een mug kunnen allebei zien. De ogen van de mug en de mens hebben dezelfde................, maar zijn niet hetzelfde....................
Antwoord: Functie, gebouwd
Vraag 3
Wat versta je onder analoog?
Antwoord: Delen (bijvoorbeeld een vleugel) van verschillende organismen met een verschillende bouw maar dezelfde functie noemen we analoog.
Vraag 4
Is hier sprake van analogie of homologie?
1. De tong van een mens en de tong van een mossel
2. De nek van een mens en de nek van een giraffe
3. Het skelet van een mens en het skelet van een tor
Antwoord: 1 analoog, 2 homoloog, 3 analoog
Vraag 5
Zijn deze uitspraken juist of onjuist?
1. Tijdens de evolutie veranderde een mug binnen 1 jaar in een vlinder.
2. Het duurde duizenden jaren, totdat de voorouders van de walvis zich volledig aan het waterleven hadden aangepast.
3. De mens heeft zich niet aangepast aan zijn omgeving.
Antwoord: 1 onjuist, 2 juist, 3 onjuist
Vraag 6
Mensen en apen hebben dezelfde voorouders. Waaraan kun je bij de mens zien dat hij 'vroeger' een staart had?
Antwoord: Aan het staartbeentje
Vraag 7
Welke van de volgende beweringen zijn juist?
1. Een voorbeeld van een rudimentair orgaan is het bekken van een walvis.
2. Wanneer een orgaan zijn functie verloren heeft noem je dit rudimentair.
3. Hoofdhaar is ook rudimentair, want veel oudere mannen verliezen hun hoofdhaar, ze worden kaal.
Antwoord: 1 juist, 2 juist, 3 onjuist
Vraag 8
Waarom kun je in de analogie de arm van de mens wel vergelijken met de vleugel van een vleermuis, maar niet vergelijken met de poten van een vleermuis?
Antwoord: Poten moet je met poten vergelijken; benen gebruikt een mens om te lopen.
Vraag 9
Waarom kun je in de homologie een mens en een aap met elkaar vergelijken?
Antwoord: Ze hebben dezelfde voorouders.
Zoekvragen
1. Welke organismen waren 'het eerste leven op aarde'?
2. Waar zijn de eerste resten van mensachtigen gevonden?
3a. Wat wordt er bedoeld met: "Darwin wist vanaf het begin dat zijn theorie zeer controversieel zou worden?"
b. Waardoor kwam dit?
c. Hieronder staan twee beschrijvingen van de manier waarop Darwin op het idee kwam voor een evolutietheorie. Welke is de juiste A of B?
A. Darwin's hobby was het fokken van duiven. Op die manier leerde hij dat duiven bepaalde eigenschappen, bijvoorbeeld witte veren, erfden van hun voorouders. Door alleen duiven met witte veren te laten voortplanten, zullen de nazaten van deze populatie na verloop van tijd allemaal witte veren hebben. Tussen de duiven onderling was er ook concurrentie om het voedsel. Hij bedacht zich dat de duif met de beste eigenschappen een betere kans heeft op overleven.
B. Darwin maakte toen hij in de twintig was een wereldreis. In 1835 kwam hij zo aan op de Galapagos eilanden. De eilandengroep voor de kust van Equador ligt al duizenden jaren geïsoleerd in de Stille Oceaan. Darwin bestudeerde daar de verschillende diersoorten. Hij ving een aantal vinken die hij meenam naar huis, om ze daar te vergelijken met vinken die hij op het Zuid-Amerikaanse vaste land had gevangen. Hij bekijkt de verschillen en de overeenkomsten. De vinken hadden hun eigenschappen waarschijnlijk geërfd van een aartspopulatie en de verschillen zijn pas daarna ontwikkeld. Langzaam begint zijn theorie te vormen.
4. Hoe heet de eerste bekende voorloper van de huidige mens?
5. Bekijk op internet of er verschillen zijn in de schattingen van het aantal jaar geleden dat de aarde is ontstaan? Waardoor werd het ontstaan van de aarde veroorzaakt?
Vraag 1
Wanneer ontstonden de eerste landplanten?
Antwoord: 400 miljoen jaar geleden
Vraag 2
Welke belangrijke Engelse onderzoeker hield zich in de 19e eeuw bezig met de evolutietheorie?
Antwoord: Charles Darwin
Vraag 3
Wanneer ontstaan nieuwe soorten?
Antwoord: Als verschillende vormen van een soort van elkaar geïsoleerd raken en onderlinge voortplanting geen vruchtbare nakomelingen geeft.
Vraag 4
Leg de relatie uit tussen natuurlijke selectie en overlevingskansen?
Antwoord: Hoe beter een organisme aangepast is aan zijn omgeving, des te groter is de overlevingskans. Dit noemt men natuurlijke selectie.
Vraag 5
Hoe oud is de aarde ongeveer?
Antwoord: 4600 miljoen jaar
Vraag 6
Was er bij het ontstaan van de aarde (voldoende) zuurstof in de lucht?
Antwoord: Er was geen zuurstof
Vraag 7
Wat was er eerder een reptiel of een amfibie?
Antwoord: Amfibie
Vraag 8
Noem de vier argumenten naast fossielen die de evolutietheorie aannemelijk maken.
Antwoord: 1. Overeenkomsten in de manier waarop organismen zich voor de geboorte ontwikkelen.
2. Overeenkomsten in hoe een organismen eruit zien.
3. Overeenkomsten in de manieren waarop verschillende organismen zich voeden, zich voortplanten en leven.
4. Dieren hebben organen die geen functie meer hebben; rudimentaire organen.
Vraag 9
Wanneer ongeveer was er voldoende zuurstof in de lucht om het landleven mogelijk te maken?
Antwoord: Ongeveer 400 miljoen jaar geleden
Zoekvragen
1. Hoe oud zijn fossielen?
2. Hoe komen we in Nederland aan de grote hoeveelheden grind? Wat heeft het grind met fossielen te maken ?
3. Wat moet er gebeuren om een reconstructie van een fossiel te maken? Noteer de drie stappen.
4. Hoe komt men aan de wetenschappelijke naam van de fossiele aapachtige 'Lucy'?
5. In welk tijdperk kwamen de dinosauriërs pas echt tot ontwikkeling? Hoeveel jaar geleden was dat?
6. Wat zegt de kleur van schelpen over de ouderdom als je fossiele schelpen probeert te zoeken?
7. Een moeilijke slotvraag! Leg uit wat het volgende inhoudt: 980102 33 302109 CNA17
Cyathophyllidae...Cyathophyllum sp...D
Vraag 1
Wat is een fossiel?
Antwoord: Fossielen zijn versteende overblijfselen van organismen, of afdrukken van organismen in gesteenten, die ouder zijn dan 10.000 jaar.
Vraag 2
Kan een zonnebloem die in jouw tuin staat ook een fossiel worden?
Antwoord: Ja, dit kan maar dan moeten de omstandigheden daarvoor goed zijn en je moet lang genoeg wachten (10.000 jaar). In jouw tuin is dat niet waarschijnlijk. De tuin wordt regelmatig omgespit.
Vraag 3
Hoe heten wetenschappers die een versteende dinosauriër onderzoeken?
Antwoord: Paleontologen
Vraag 4
Waardoor zijn de organismen die fossiel werden, niet verrot toen ze die lange tijd in de grond lagen?
Antwoord: Door de aardlagen die boven op het organisme terecht komen, wordt het afgesloten van de buitenlucht. Hierdoor blijft het organisme goed geconserveerd.
Vraag 5
Hoe heet het proces waardoor een gestorven organisme een fossiel wordt?
Antwoord: Fossiliseren
Vraag 6
Hoe komt het dat een fossiel vaak onverwacht ontdekt wordt?
Antwoord: Men ontdekt een fossiel vaak als gevolg van een aardverschuivingen of door graafwerkzaamheden. Bijvoorbeeld bij aanleg van wegen of bij het winnen van gesteente.
Vraag 7
Als een organisme begin vorige eeuw gestorven is, kan het nu dan een fossiel zijn?
Antwoord: Nee, het fossilisatieproces duurt eeuwen.
Vraag 8
Wat is de functie van gidsfossielen?
Antwoord: De ouderdom van een bepaalde aardlaag ten opzichte van andere aardlagen aangeven.
Vraag 9
Organisme A ligt in een aardlaag boven organisme B. Welke organisme is ouder?
Antwoord: Organisme B, dit organisme ligt langer onder de grond.
Vraag 10
Welk organisme van vraag 9 zal het eerst een fossiel zijn?
Antwoord: Organisme B zal eerder een fossiel zijn.
Zoekvragen
1. Er wordt op deze internetpagina gesproken over neteldieren. Onder welke naam ken jij deze afdeling?
2. De zee-egel en zeester zijn voorbeelden van stekelhuidigen. Zoek nog drie voorbeelden van deze afdeling.
3. Onder welke groep van de geleedpotigen vallen de waterwantsen en de kokerjuffers?
4. Noem vijf groepen waaruit de afdeling van de holtedieren bestaat. Geef ook aan waar ze leven.
5. Insecten en spinnen hebben niet hetzelfde aantal poten. Noem nog minstens drie verschillen tussen insecten en spinnen.
6. Bij welke afdeling horen vlinders en noem vijf verschillen tussen dag- en nachtvlinders.
7. Een regenworm is hermafrodiet. Wat betekent dit?
8. Hoe beweegt een zeester zich voort?
9. In welk tijdperk ontstonden de schelpdieren?
10. Zoek op internet eens vijf plaatjes van ongewervelden op. Gebruik je kennis die je hebt opgedaan over ongewervelden bij het zoeken.
Vraag 1
In welke twee groepen kunnen we het dierenrijk verdelen?
Antwoord: Gewervelden en ongewervelden
Vraag 2
Noem de afdelingen van de ongewervelden.
Antwoord: Eencelligen, sponzen, holtedieren, platwormen, rondwormen, ringwormen, weekdieren, stekelhuidigen, geleedpotigen
Vraag 3
Waar komt de naam Holtedieren vandaan?
Antwoord: Ze hebben een binnenruimte waaromheen het dier is gebouwd. Deze ruimte is dus niet inwendig.
Vraag 4
Welke drie groepen vallen er onder de wormen?
Antwoord: Platwormen, rondwormen, ringwormen
Vraag 5
Hoe noemen we de ringen van de regenworm?
Antwoord: Segmenten
Vraag 6
Wat zit er tussen de twee kleppen van de mossel?
Antwoord: Een week lichaam
Vraag 7
Noem twee voorbeelden van Stekelhuidigen.
Antwoord: Zee-egel, zeester
Vraag 8
Hoe noemen we de aparte onderdelen waaruit de poten van een geleedpotige bestaan?
Antwoord: Leden
Vraag 9
Noem de vier groepen van de geleedpotigen.
Antwoord: Duizendpoten, kreeftachtigen, spinachtigen, insecten
Vraag 10
Heeft een insect zes, acht of tien poten?
Antwoord: Zes poten
Zoekvragen
1. Zoek op internet twee menselijke ziekten op die door een bacterie worden veroorzaakt.
2. Ga na in welke groepen een organisme geordend wordt. Je moet zelf een organisme kiezen. Je begint bij het Rijk dan afdeling, groep, orde, familie, geslacht en tenslotte de soort. Zet zeven verschillende groepen op papier!
3. Zoek een plaatje van een bedektzadige. Print dit en zet de namen van de kenmerken van deze groep in het plaatje.
4. Zoek een plaatje op van een doorsnede van een bacterie, print deze en zet de namen van de onderdelen die je kent in het plaatje.
5. Behoren de Afrikaanse olifant en de Aziatische olifant tot dezelfde soort? Leg uit waarom wel of niet.
6. Zoek op internet een determinatietabel waarmee je dieren of planten in jouw omgeving een naam zou kunnen geven.
7. Hoeveel soorten insecten denk je dat er op de wereld zijn? Bedenk eerst een antwoord en controleer het daarna op internet.
8. Noem drie manieren waarop de ademhaling bij gewervelden kan plaatsvinden. Zoek op internet foto's van elk van deze manieren.
9. Horen een vos en een hond tot hetzelfde geslacht?
10. Bedenk tenslotte een vraag over 'ordening' waar je graag antwoord op wilt hebben. Noteer die vraag en ga dan het antwoord op internet zoeken
Vraag 1
Wat is ordenen?
Antwoord: Ordenen is het indelen van een verzameling in groepen.
Vraag 2
Wat is een rijk?
Antwoord: Een rijk is een groep organismen met dezelfde celkenmerken.
Vraag 3
Welke drie celkenmerken worden gebruikt voor het ordenen van organismen in rijken?
Antwoord: Celwand, celkern, bladgroenkorrels.
Vraag 4
Noem de vier rijken.
Antwoord: Bacteriën, schimmels, planten, dieren.
Vraag 5
Noem drie kenmerken van bacteriën.
Antwoord: Bacteriën zijn eencellige organismen, Bacteriën planten zich voort door middel van deling, Bacteriën voeden zich met resten van organismen
Vraag 6
Noem drie kenmerken van schimmels.
Antwoord: Schimmels zijn veelcellige organismen (ze bestaan uit schimmeldraden), Schimmels planten zich voort door middel van sporen, Schimmels voeden zich met resten van organismen
Vraag 7
In welke drie afdelingen wordt het rijk van de planten verdeeld?
Antwoord: Wieren, sporenplanten, zaadplanten.
Vraag 8
Welke twee kenmerken worden gebruikt voor het indelen van het dierenrijk in afdelingen?
Antwoord: Symmetrie, in- of uitwendig skelet
Vraag 9
Waar zitten bij een naaktzadige plant de zaden?
Antwoord: Tussen de schubben van een kegel


