Hoe Nederland zich in de 18e en 19e eeuw had gedragen tegenover Indonesië, werd later door veel mensen bekritiseerd. Zo ook door Van Deventer die het artikel 'Ereschuld' schreef. In 1899 verscheen dit in De Gids.
In het artikel stelde hij dat het geld dat verdiend was aan Indonesië met het Cultuurstelsel teruggegeven zou moeten worden: “de restitutie der millioenen is de eereschuld van Nederland aan Indonesië”.
Ethische politiek
Het artikel van Van Deventer droeg bij aan de wijziging van het koloniale beleid in die tijd. Dit beleid werd bekend onder de naam ‘Ethische politiek’.
Koningin Wilhelmina bepleit in 1901 tijdens de troonrede de Ethische Politiek:
Als Christelijke mogendheid is Nederland verplicht, in de Indische Archipel de rechtspositie der inlandse Christenen beter te regelen, aan de Christelijke zending op vaster voet steun te verlenen en geheel het regeringsbeleid te doordringen van het besef dat Nederland tegenover de bevolking dezer gewesten een zedelijke roeping heeft te vervullen.
IN verband hiermee trekt de mindere welvaart der inlandse bevolking op Java mijn bijzondere aandacht. Ik wens naar de bijzondere oorzaken hiervan een onderzoek in te stellen.Aan bepalingen ter bescherming van de onder contract werkende koelies zal gestrengelijk de hand worden gehouden.Naar decentralisatie van het bestuur zal gestreefd worden.De toestand op het noordelijk gedeelte van Sumatra zal, naar ik vertrouw, bij handhaving van het thans gevolgde stelsel tot algehele pacificatie leiden.
Verandering
Het beleid bracht ook daadwerkelijk een verandering teweeg. Er werden bijvoorbeeld meer ziekenhuizen gebouwd, er kwamen meer scholen voor de Indonesische bevolking en er werd geïnvesteerd in de infrastructuur. Ook op bestuurlijk terrein was de ethische gedachte terug te vinden. Het bestuur realiseerde zich dat het tijd was voor medezeggenschap, politieke emancipatie (‘ontvoogding’) en decentralisatie. Indonesië mocht een onafhankelijkere positie gaan innemen naast Nederland (‘associatiegedachte’), maar handhaving van de voogdij van Nederland over Indonesië werd nog wel noodzakelijk geacht (‘voogdijgedachte’).
De concrete uitwerking van de verandering in bestuur kwam met de oprichting van de Volksraad in 1918. Deze bestond uit 38 leden, onder wie 15 Indonesiërs. De raad had in eerste instantie slechts een adviserende rol. In 1922 werd de Volksraad een medewetgevend orgaan en in 1925 kreeg de raad het recht van initiatief, interpellatie en petitie.
In 1918 werd er voor Nederlands-Indië een Volksraad ingesteld.
De instelling van de Volksraad was een experiment in zelfbestuur. Het kon niet anders zijn, want onder de geldende Nederlandse grondwet werd Indië bestuurd vanuit Den Haag, en niet vanuit Batavia. De gebeurtenissen in Europa in november 1918 brachten de gouverneur-generaal er toe, de Volksraad uitbreiding van bevoegdheden te beloven en in 1920 werd het aantal Indonesische leden uitgebreid.
Uit: B.H.M. Vlekke, geschiedenis van den Indischen Archipel, 1947
Belangenorganisaties
Door de betere toegang tot het onderwijs ontstond er in Indonesië een kleine groep intellectuelen. Zij namen de westerse ideeën van democratie over en werden zich bewust van de koloniale verhouding tussen de Nederlanders en Indonesiërs. In 1908 werd de eerste Indonesische emancipatiebeweging opgericht, de Budi Oetomo. Later gevolgd door de Sarekat Islam en de eerste Indonesische politieke partij Partai Kumunis Indonesia (PKI). Het waren nationalistische belangenorganisaties, die door het Nederlandse gouvernement werden erkend, omdat het paste bij de Ethische politiek.
Partijen
Vanaf 1926 veranderde de houding van de Nederlanders. Toen organiseerde de PKI een opstand tegen het koloniale kapitalistische beleid. Dat ging Nederland te ver. Zij sloeg deze opstand met harde hand neer en arresteerde de leiders van de partij.
Verbod
Vanaf 1927 werden nationalistische partijen verboden. Ook de meer gematigde Partai Nasional Indonesia van Soekarno werd verboden. Deze partij had een samenhangende nationale ideologie ontwikkeld, los van religie en sociale klasse, waarbij Indonesië als eenheid werd beschouwd: één land, één volk en één taal.
Ondanks de arrestaties en verboden, ging de opmars van de nationalistische beweging door. In 1936 diende Soetardjo, lid van de Volksraad, een petitie in waarin hij opriep tot een conferentie waarin “...op den voet van gelijkgerechtigdheid een plan zal hebben op te stellen, ten einde aan Nederlandsch-Indië langs den weg van geleidelijken hervorming (...) een staat van zelfstandigheid toe te kennen...”
Belangrijke data:
1899 Artikel getiteld ‘Eereschuld’ van Van Deventer verschijnt in De Gids
1901 Troonrede van Koningin Wilhelmina
1903 Decentralisatiewet
1907 Instelling Arbeidsinspectie
1908 Oprichting van de Budi Otomo
1911 Oprichting Sarekat Islam
1912 Oprichting Indische Partij
1918 Oprichting Volksraad
1920 Oprichting Partai Kommunis Indonesia
1922 Volksraad wordt een medewetgevend orgaan
1925 Volksraad krijgt recht van initiatief, interpellatie en petitie
1927 Oprichting Partai Nasional Indonesia door Soekarno
1927 Nationalistische organisaties worden verboden
1929 Soekarno en andere leiders van de PNI worden gearresteerd
