Nederland migratieland

Vak:
Aardrijkskunde

Opdrachten Nederland migratieland

Vragen en opdrachten over migratie, emigratie en immigratie

wereldkaart met migratiestromen

Hier vind je vragen en opdrachten bij het dossier Nederland migratieland op Eigenwijzer. Gebruik bronnen om de vragen te beantwoorden.

 

 

 

 


Immigratie

Immigratie en emigratie (Nederland 1950 - nu)

Immigratie en emigratie (Nederland 1950 - nu)

1. Immigratie en emigratie hebben gevolgen. Ze kunnen leiden tot een vestigingsoverschot.
a. Leg uit wat een vestigingsoverschot betekent.
b. Met welke kleur is het vestigingsoverschot in de grafiek aangegeven?
c. Wanneer was het vestigingsoverschot het grootst?


2. Bestudeer de grafiek 'immigratie en Emigratie'.
a. Verklaar het diepe dal in de immigratie naar Nederland in de periode 1953.
b. Verklaar de hoge piek in de immigratie naar Nederland in 1975

Ligging aanmeldcentra in Nederland

3. In de 20e eeuw zijn er veel groepen mensen naar Nederland geïmmigreerd. Hieronder zie je waar ze vandaan kwamen en wanneer. Waarom kwamen deze mensen naar Nederland? Noem alleen de aantrekkingsfactoren.

België: 1914    
Turkije: 1970    
Somalie: 2000    
Polen: 2004

4. Op de kaart hier onder zie je de ligging van aanmeldcentra (AC) in Nederland. Mensen die asiel willen aanvragen in Nederland moeten zich melden bij een aanmeldcentrum. Er zijn er drie in Nederland.
a. Wat valt je op aan de ligging van de aanmeldcentra in Nederland?
b. Verklaar deze ligging van de aanmeldcentra in Nederland.

Multiculturele samenleving

1. Nederland is een multiculturele samenleving.
a. Leg uit wat een multiculturele samenleving is.

Door immigratie zijn de afgelopen 50 jaar veel mensen uit andere werelddelen naar Nederland gekomen. Bekijk de beeldbankclip daarover.

b. Uit welke werelddelen kwamen de immigranten?
c. Neem periodes over in je schrift en vul voor elke periode in waar de migranten vandaan kwamen, welk cultuurgebied dat is en welke cultuurkenmerken ze hebben meegenomen naar Nederland.

Periode
1945 – 1955               
1955 – 1965              
1965 – 1975               
1975 – 1985              
1985 - nu              

2. Allochtonen die in Nederland wonen zijn op allerlei plaatsen terecht gekomen.
Hieronder spreken 4 allochtone Nederlanders.
Schrijf achter de namen van deze Nederlanders waar ze wonen.
Kies uit:
- asielzoekerscentrum in Dokkum (Friesland)
- woonwijk in Amsterdam
- woonwijk in Hengelo (Twente)
- bungalowpark in Mierlo (Noord Brabant)

Zdenek (Slowakije) “In Nederland heb ik tijdelijk werk en tijdelijk onderdak gevonden”.     
Karim (Marokko)  “In Nederland hebben we een goedkoop huis kunnen huren in een grote stad”.    
Muslima Ahmed (Somalië) “Uit Somalië ben ik gevlucht naar Nederland, ik woon hier tot ik een verblijfsvergunning krijg”.    
Lothar (Duitsland)  “Ik werk al jaren in Nederland, sinds kort heb ik een woning vlak over de grens”.

3. Lees het onderstaande artikel.

“Het beleid om allochtonen te spreiden om concentratie in wijken, scholen en organisaties te bestrijden, is 'weinig effectief'. Dat oordeelt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) in het advies 'Eenheid, verscheidenheid en binding', dat is aangeboden aan VVD-minister Rita Verdonk voor Vreemdelingenzaken en Integratie.”

Welke titel hoort bij het artikel?
Kies uit:
a. Bestrijden van allochtonen is de oplossing
b. Spreiding van allochtonen is niet de oplossing
c. Spreiding van allochtonen in de oplossing
d. Spreiding van allochtonen voorkomt integratie

Binnenlandse migratie

1. Bestudeer de bron 'verhuisafstand in Nederland'.
Geef aan of de volgende uitspraken goed of fout zijn:
a. De meeste Nederlanders die verhuizen blijven in de buurt.
b. Hoe groter de verhuisafstand, hoe meer verhuizingen.
c. Meer dan 25% van de verhuizingen in Nederland blijft binnen een straal van 110 km.
d. De grootste verhuisafstand in Nederland ligt boven de 500 km.

2. 4 kinderen vertellen over waar ze naar toe verhuisd zijn. Ze achter ieder kind of je te maken hebt met urbanisatie, suburbanisatie of geen van beide.
1. Pascal: “We zijn verhuisd naar een groot huis in dezelfde straat”.    
2. Fathima: “We zijn verhuisd van een huis in Amsterdam naar een huis in een kleine gemeente buiten Amsterdam”.    
3. Pierre: “We zijn verhuisd van Eindhoven-zuid naar Eindhoven-noord”.    
4. Shilby: “We zijn verhuisd van een asielzoekerscentrum in Oost Groningen naar een huis in de stad Groningen”.


3. Bestudeer de bron 'korteafstandsmigratiestromen'.
Je ziet de top-tien van plaatsen waar tussen het meest wordt verhuisd in Nederland.
a. Wat valt je op aan de plaatsen van waaruit verhuisd wordt?
b. Van de korteafstandsmigratiestromen is Amsterdam - Almere nummer 1. Hoeveel mensen verhuisden er in 2003 van Amsterdam naar Almere?
c. Geef een reden waarom er zoveel mensen weg zijn gegaan uit Amsterdam. (Afstotingsfactor)
d. Geef een reden waarom er zoveel mensen juist naar Almere zijn verhuisd. (Aantrekkingsfactor)
e. Welk binnenlands migratiebegrip past bij de verhuizing tussen: Capelle a/d IJssel - Rotterdam en Leidschendam Voorburg - Den Haag?

De Randstad


4. Bekijk het kaartje 'de Randstad'.
a. Uit welke grote steden bestaat de Randstad?
b. Hoe komt het dat deze steden steeds meer naar elkaar gegroeid zijn?
c. Waarom is de Randstad eigenlijk geen echte stad?
d. De Randstad blijft groeien, er komen steeds meer woonwijken bij. Sommige mensen willen dat het midden van de Randstad landelijk blijft, er mogen geen huizen worden gebouwd. Leg uit waarom mensen dat zo belangrijk vinden?

Emigratie

Immigratie en emigratie (Nederland 1950 - nu)
1. De laatste tijd is er ook sprake van emigratie uit Nederland. De redenen waarom Nederland ons land verlaten zijn anders dan in de jaren vijftig.
a. Waarom vertrokken veel emigranten 50 jaar geleden?
b. Welke 5 landen waren het populairst bij de emigranten vijftig jaar geleden?
c. Wat zoeken de emigranten tegenwoordig vooral in het buitenland (aantrekkingsfactor)?
d. Noem de 2 landen waar de emigranten tegenwoordig vooral naartoe gaan.

2. Als Nederlanders eenmaal geëmigreerd zijn, houden ze vaak contact met Nederlandse familie en vrienden. Leg uit waarom ze dat doen.

3. Immigratie en emigratie hebben gevolgen. Ze kunnen leiden tot een vertrekoverschot.
a. Leg uit wat een vertrekoverschot betekent.

4. Bestudeer de grafiek Immigratie en Emigratie bovenaan deze pagina.
a. In welke periode(s) was er door de hoge emigratie een vertrekoverschot?