Mensen die in een ander land gaan wonen om te werken, worden arbeidsmigranten genoemd.
Mensen van buiten de Europese Unie mogen niet zomaar naar Nederland verhuizen om hier te werken. Vroeger was dat wel anders.
Gastarbeiders
De migratnen die tussen 1965 en 1975 naar Nederland zijn gekomen, worden gastarbeiders genoemd. Mensen uit landen rondom de Middellandse Zee werden benaderd met de vraag of ze in Nederland wilden komen werken. Deze arbeidsmigranten deden werk waarvoor ionvoldoende mensen bereid of in staat waren dat te verrichten. De beweegreden voor gastarbeid is vrijwel altijd een economische: er is te weinig werk in het thuisland.
Oost-Europa
Ook nu zijn er arbeidsmigranten in Nederland. Dit zijn mensen uit EU-lidstaten, als Polen en Tsjechië. Een nadeel van arbeidsmigratie voor deze landen is dat er een braindrain optreedt. Dit betekent dat de hoogst opgeleide mensen uit die landen vertrekken om ergens anders (meer) geld te verdienen. Zo blijven de minst geschoolde mensen over. Als gevolg van de arbeidsmigratie kampt Polen nu ook met een tekort aan arbeidskrachten in de land- en tuinbouw.
Groot verschil
Oost-Europeanen die in Nederland komen werken, besluiten steeds vaker zich hier permanent te vestigen. Deze ontwikkeling lijkt op de komst van de gastarbeiders in de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw. Er is echter een groot verschil. Voor Turken en Marokkanen betekende werken in Nederland ook toegang tot de verzorgingsstaat. Oost-Europeanen hebben daar al toegang toe, omdat ze tot de Europese Unie behoren. Voor Turken en Marokkanen is teruggaan naar hun eigen land altijd veel onaantrekkelijker geweest. De Oost-Europeanen zijn daarom beter te vergelijken met de Spaanse en Italiaanse gastarbeiders. Die zijn voor het merendeel ook weer teruggegaan.
