Het liberalisme is ontstaan in de Verlichting. In de loop van de 18e eeuw ging de burgerij zich organiseren. De ideologie van de burgerij komt tot uitdrukking in het liberalisme. In de klassieke achttiende-eeuwse vorm benadrukt het liberalisme namelijk het vrije spel van de maatschappelijke krachten.
Adam Smith is een van de grondleggers van het liberalisme. Volgens hem is er een ‘onzichtbare’ hand, die de maatschappij stuurt en zorgt voor natuurlijke en harmonieuze verhoudingen. De overheid moet zorgen voor orde en rust en verder de burgers zoveel mogelijk vrij laten (nachtwakersstaat). Deze vrijheid geldt zowel voor het denken als voor het handelen.
Economische vrijheid
Dit laatste betekent economische vrijheid:
- particulier eigendom,
- particulier initiatief,
- vrije concurrentie
Bemoeienis van de staat
In de negentiende en twintigste eeuw gaat het liberalisme langzamerhand steeds meer bemoeienis van de staat accepteren. Dit doen ze niet alleen omdat er sociale problemen zijn met de industrialisatie, maar ook omdat ze erin gaan geloven.
Vrijheid van het individu
De liberale filosoof J. Stuart Mill vindt overheidsingrijpen namelijk wel kunnen als daar meer vrijheid door kan komen. Door een actief onderwijsbeleid bijvoorbeeld. Het belangrijkste voor alle liberalen blijft vrijheid van het individu, dat zijn natuurlijke talenten tot ontwikkeling moet kunnen laten komen.
