Uitgangspunt voor de kunstenaars uit de Renaissance vormde de beeldtaal van de klassieke oudheid. Helaas voor de schilders uit die tijd waren er nauwelijks schilderingen uit de Griekse of Romeinse tijd bewaard gebleven. Zij baseerden hun werk op tekst uit de oudheid over schilderkunst.
Zo wijdde Plinius de Oudere in zijn 37-delige encyclopedie Naturalis Historia uit de eerste eeuw na Christus 2 hoofdstukken aan de kunsten. In 1470 werd het in het Italiaanse vertaald en dus goed toegankelijk voor iedereen. In dit werk staat heel letterlijk beschreven welke schilderwerken als goed werden gezien en waarom. Zo zegt Plinius de Oudere dat de waarde van een kunstwerk niet in het gebruikte materiaal ligt, maar in de vaardigheid van de maker. Veel van de kunstwerken die hij noemt, worden geprezen om hun illusionisme. Een beroemde anekdote gaat over twee schilders, Zeuxis en Parrhasios, die concurrenten van elkaar zijn. Zeuxis schilderde een tros druiven, die zo realistisch uitzag dat er vogels op af kwamen. Naar aanleiding van dat werk schilderde Parrhasios een gordijn. Zeuxis vroeg of hij het opzij wilde schuiven, zodat hij het werk kon zien… Parrhasios won natuurlijk de competitie, want niets is zo moeilijk als het om de tuin leiden van je collega. Ook is het belangrijk dat het werk van de schilder gevoel opwekt bij de kijker, ons ontroert.
Nieuwe opdrachten en opdrachtgevers
Stond de schilderkunst in de middeleeuwen in dienst van de kerk; in de renaissance verandert dit. Het onderwerp was niet alleen meer religie, maar ook mythologie. De opdrachtgever was niet alleen de kerk, maar kon ook een particulier zijn, zoals de rijke bankiersfamilie Medici uit Florence. Er kwam vraag naar portretkunst, zie afbeelding 7-5. We zien niet alleen de opdrachtgevers hierin terug, maar ook de kunstenaars zelf. Hun status veranderde van ambachtsman naar kunstenaar, een genie. Dit komt onder andere door de theoretische onderbouwing van hun werk, die hun werk uit de sfeer van de ambacht tilt.
Leonardo da Vinci
Leonardo da Vinci (1452-1519) is een goed voorbeeld van de kunstenaar als genie. Hij wordt een ‘uomo universalis’ genoemd. Dat is iemand die zich op heel veel gebieden ontwikkeld en verdiept heeft. Da Vinci was onder andere uitvinder, architect, schilder en filosoof. Hij heeft meer dan 6000 notities nagelaten waarin hij schrijft en tekent over de kunsten, maar ook over de uitvinding van een vliegmachine tot het leven van een kind in de baarmoeder. Een van zijn beroemdste werken is Mona Lisa (1505). Zie afbeelding 7-6b.
Perspectief
In het kader van de theoretische en wetenschappelijk onderbouwing van de schilderkunst is de uitvinding van de perspectief erg belangrijk. Die uitvinding wordt toegeschreven aan de architect Brunelleschi (1377-1446). De Romeinen wisten ook al hoe ze diepte en ruimtelijkheid moesten weergeven in hun werk, namelijk door middel van overlapping, waarbij de voorste vormen meer kleur hebben dan de achterste en schaduwvorming. Brunelleschi had echter een methode ontwikkeld, waarbij denkbeeldige evenwijdige lijnen samenkomen in 1 centraal verdwijnpunt. In de schilderijen van de Renaissance zien we vaak dat het verhaal zich afspeelt in een architecturale setting oftewel in of met als achtergrond een gebouw. Zie afbeelding 7-7. Door middel van die architecturale setting kan de kunstenaar laten zien dat hij het gebruik van perspectief uitstekend onder de knie heeft.
