Een onderwerp (je, tu, il enz.) krijgt bij de persoonsvorm in het Frans een vaste uitgang. De jij-vorm van het werkwoord zijn (être) is bijvoorbeeld tu es. Voor hij is dat il est. Maar er speelt nog iets mee. Je weet bij ik of jij niet of de persoon om wie het gaat mannelijk of vrouwelijk is.
Het mannelijk of vrouwelijk zijn van het onderwerp heeft niets te maken met deze uitgangen. Die blijven gewoon hetzelfde. Er verandert pas wat als er een bijvoeglijke bepaling achter de persoonsvorm staat.
Theorie
Is ‘je’ een vrouw of meisje, dan verschijnt er achter de bijvoeglijke bepaling een extra ‘-e’. Bij mannen of jongens gebeurt dit niet. Een jongen zou zeggen: je suis hollandais. Voor een meisje geldt: je suis hollandaise. Bestaat een groep uit alleen maar vrouwen of meisjes, dan krijgt de bijvoeglijke bepaling ‘-es’. Zit er maar een vrouw of meisje in de groep, dan verandert er niets.
