Mobiel bellen

Met een honingraatnetwerk heb je beter bereik

GSM staat niet voor ‘Geen Snoer Meer’, maar 'Global System for Mobile Communications'. Een GSM-toestel is draadloos en heeft een zender en een ontvanger voor elektromagnetische golven.

Als het toestel wordt aangezet zendt de simkaart een unieke code uit. De dichtstbijzijnde GSM-mast pikt die code op en maakt contact. Je mobiele telefoon blijft trouwens de hele tijd zoeken het dichtstbijzijnde beschikbare signaal. En als hij een sterkere zender heeft gevonden, meldt de mobiel zich daar aan. Je hoort dat soms op je radio als zo’n typische ratel.

GSM-masten
Het signaal dat je telefoon uitzendt bevat gegevens over het toestel. Daarom is het altijd globaal bekend waar je op dat moment bent. Het netwerk waar de telefoon gebruik van maakt bestaat uit vaste basisstations die met elkaar verbonden zijn. Een basisstation bedient meestal een klein gebied, tot maximaal tien tien kilometer bij de zeer herkenbare antennemasten vandaan.

Communicatie
De masten moeten elkaar kunnen 'zien' om informatie te kunnen uitwisselen. In tegenstelling tot vroegere analoge mobiele netwerken kunnen in de digitale GSM-netwerken meerdere gesprekken op hetzelfde kanaal plaatsvinden. De gedigitaliseerde spraak wordt over kleine pakjes verdeeld, en maximaal acht telefoons versturen op één kanaal hun gegevens, keurig om de beurt. Omdat de 'pakjes' een verschillende frequentie hebben kunnen ze langs eenzelfde draad verstuurd worden zonder 'in de war' te raken.

Frequenties
Een zender gebruikt verschillende frequenties. Met vier frequenties kun je een netwerk bouwen. Het netwerk heeft de structuur van een honingraat. Je ziet het voordeel van vier frequenties: er grenzen nooit twee dezelfde frequenties aan elkaar.

Wanneer dezelfde frequenties aan elkaar grenzen zou dat problemen kunnen geven met de ontvangst. Je krijgt dan interferentie tussen twee zenders en plaatselijke uitdovingen van het signaal. Zenders hebben daarom verschillende frequenties en ze staan op de hoekpunten van drie gebieden. Daarom hangen er ook altijd drie zenders bij elkaar in één mast.

Kwantiteit of kwaliteit
Per kanaal kunnen er 7 tot 8 mensen bellen. En als er meer willen bellen geeft hun mobieltje aan dat het netwerk bezet is. Maar op drukke punten, zoals bijvoorbeeld langs de Utrechtse baan, staan er meerdere zenders en zijn er meerdere banden in gebruik. Het vermogen van de zender wordt dan verlaagd zodat hij minder ver reikt. De volgende mast komt dan vlakbij te staan. Zo vergroot je het aantal gesprekken dat er in een bepaald gebied tegelijk gevoerd kan worden.