De tussen-n

Regels en uitzonderingen

pannenkoeken

Het is ‘pannenkoek’ maar ‘groentesoep’. Of je in zulke samenstellingen wel of geen tussen–n schrijft, hangt van een paar dingen af.

De spellingsregels voor de tussen-n zijn in 1996 veranderd. Sindsdien worden veel woorden die voorheen niet met een tussen-n worden geschreven nu anders gespeld. Zoals pannenkoek en pereboom.

Samenstellingen met tussen-n

Je gebruikt de tussen-n om samengestelde woorden aan elkaar te plakken. Samenstellingen met tussen-n zijn bijvoorbeeld:

  • Siliconenborsten
  • Pannenkoen
  • Paddenstoel
  • Paardenbloem
  • Platenbon
  • Krantenlezer
  • Eendenei

Wel een tussen-n

Je schrijft –en als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord waarvan het meervoud alleen een meervoud op –(e)n heeft. Bijvoorbeeld koninginnensoep, boekenbon. Je gebruikt ook een tussen-n als het eerste deel van de samenstelling een vrouwelijke nevenvorm is, zoals studente of docente. Je krijgt dan bijvoorbeeld studentenhouding en docententoilet als je het hebt over vrouwelijke studenten en docenten. Als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is waarvan het meervoud eindigt op –en schrijf je ook een tussen-n: ambtenarencentrale, directeurenoverleg.

Geen tussen-n

groentesoep

'Oosterse groentesoep met noedels'

Eigenlijk zijn de regels voor wanneer je geen tussen-n gebruikt het ingewikkeldst.

Zelfstandig naamwoord zonder meervoud
Je schrijft geen tussen-n als het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord is dat geen meervoud heeft. Tarwe en rijst hebben bijvoorbeeld geen meervoud. Je schrijft daarom 'tarwebloem' en 'rijstepap'.

Zelfstandig naamwoord met 2 mogelijke meervoudsvormen
Sommige zelfstandig naamwoorden kun je op 2 manieren in het meervoud zetten. Je kunt bijvoorbeeld ‘gedachten’ schrijven, maar ook ‘gedachtes’. Dat geldt ook voor groenten/groentes en gedaanten/gedaantes. Bij samenstellingen met zulke woorden, wordt de tussen-n weggelaten. Je krijgt daarom:

  • gedachtegang
  • groentesoep

Bijvoeglijk naamwoord in eerste deel
Een samenstelling begint niet altijd met een zelfstandig naamwoord. Als de samenstelling begint met een bijvoeglijk naamwoord (bijvoorbeeld: ‘arme’), schrijf je geen tussen-n. Je schrijft daarom:

  • armelui
  • rijkeluiszoon

Werkwoord in eerste deel
Een samenstelling kan ook beginnen met een werkwoord. In dat geval schrijf je geen tussen-n.

  • karnemelk (karnen en melk)
  • spinnewiel (spinnen en wiel)

Achtervoegsel in het tweede deel
Als het eerste deel van de samenstelling gevolgd wordt door een achtervoegsel (suffix) schrijf je geen tussen-n. Voorbeelden van achtervoegsels zijn –heid, -loos en – lijk.

  • kosteloos
  • prinselijk

Verwijzing naar iets unieks
Als het eerste deel van de samenstelling verwijst naar een uniek iets of iemand, schrijf je geen tussen-n. Er is maar 1 koningin, 1 zon en 1 maan en daarom schrijf je:

  • Koninginnedag
  • zonnebrand
  • maneschijn

Versterkende betekenis
Als het eerste deel van de samenstelling een versterkende betekenis heeft, schrijf je geen tussen-n. Het tweede deel is dan meestal een bijvoeglijk naamwoord.

  • beregoed
  • reuzeleuk
  • apetrots

Versteende samenstelling
Een versteende samenstelling is een woord dat al zo lang op die manier gebruikt wordt, dat de spelling niet meer verandert. ‘Bolleboos’ bijvoorbeeld. Als de afzonderlijke delen van zo’n versteende samenstelling niet meer herkenbaar zijn, schrijf je geen tussen-n.

  • kinnebak
  • ruggespraak

Verouderd of verbasterd woord
Als er in de samenstelling woorden voorkomen die verouderd of verbasterd zijn, schrijf je geen tussen-n.

  • flierefluiter
  • nachtegaal

Eigenlijk geen samenstelling
Als het woord als geheel geen samenstelling is, maar daar alleen op lijkt, schrijf je geen tussen-n. Dat is bijvoorbeeld het geval met sommige uitheemse woorden:

  • apekool
  • papegaai