Stoffen kunnen in drie fasen voorkomen. In gasvorm, vloeistof of als vaste stof. Deze fasen worden ook wel de aggregatietoestanden genoemd.
Stoffen zijn opgebouwd uit moleculen. Onder invloed van de temperatuur veranderen deze moleculen van positie. Des te warmer het wordt, des te meer ze gaan bewegen. Hierdoor verandert de vorm van de stoffen. Een stof als water (H2O) bestaat in vaste vorm als ijs, in vloeibare vorm als water en in gasvorm als waterdamp. De stof zelf verandert niet. Wanneer het ijs smelt, verandert het gewoon weer in water.
Vast
Stoffen krijgen een vaste vorm wanneer er een lage temperatuur is. Water wordt bijvoorbeeld vast wanneer het nul graden Celsius of kouder is. De moleculen zitten nu op een vaste plaats, trekken elkaar aan en bewegen bijna niet. Hierdoor is het niet mogelijk om de vorm of volume van de stof te veranderen.
Als een vaste stof verwarmd wordt, dan zal de stof smelten. Hierna is het een vloeibare substantie. Mocht de temperatuur nog hoger zijn, dan kan een vaste stof in een keer in gas veranderen. Dit wordt sublimeren genoemd.
Vloeibaar
Water is vloeibaar van nul tot honderd graden Celsius. In deze aggregatietoestand kunnen de moleculen van de stof door elkaar heen bewegen, maar zitten nog wel redelijk dicht bij elkaar. De vorm van vloeibare water past zich aan zijn omgeving aan en de stof zal zoveel mogelijk bij elkaar blijven. Ook hier blijft het volume hetzelfde.
Vloeistoffen verdampen als de temperatuur verhoogd wordt. De stof wordt dan gasvormig. Wanneer de temperatuur erg verlaagd wordt, zal de vloeistof stollen. Nu krijgt het een vaste vorm.
Gas
In de gasvorm bewegen de moleculen door de hoge temperatuur vrij door elkaar. Ze zitten niet meer zo dicht bij elkaar als in de vaste en vloeibare vorm. Omdat ze op grote afstand van elkaar zitten, trekken ze elkaar bijna niet meer aan. Water krijgt een gasvorm als de temperatuur hoger is dan honderd graden Celsius. Omdat de stof de gasvorm aanneemt, verdwijnt het volume.
Als het ineens erg koud wordt, dan zal de stof een vaste vorm krijgen. Dit wordt rijpen genoemd. Neemt het de vorm van een vloeistof aan, dan condenseert het.
