Isolatie

Houdt de warmte binnen

Warmte komt soms per ongeluk vrij bij een energieomzetting. Maar vaak is het juist de bedoeling dat er warmte ontstaat. Om ervoor te zorgen dat deze warmte niet getransporteerd wordt is isolatie noodzakelijk.

Om ervoor te zorgen dat er zo weinig mogelijk warmte verdwijnt, moet je de juiste materialen kiezen. Dit moeten materialen zijn waardoor warmte niet goed geleid, er geen stroming kan ontstaan en straling wordt tegengehouden.

Mogelijkheden

Isolatiemateriaal bestaat daarom vaak uit materialen die veel lucht bevatten. Lucht geleidt warmte niet goed. Het laagje folie dat je vaak ziet tijdens het isoleren, kaatst de straling terug. Als laatste wordt om warmtetransport uit te schakelen vaak piepschuim, glaswol of steenwol gebruikt. Lucht kan hierdoor niet verder stromen.

R-waarde

Hoe weet je nu welk isolatiemateriaal het best geschikt is om te isoleren? In een bouwmarkt kun je materiaal kopen met een bepaalde R-waarde. Deze waarde vertelt hoe goed het materiaal isoleert. Hierbij geldt: des te hoger de R-waarde, des de beter de isolatie.

Lambdawaarde

Je kunt de R-waarde uitrekenen met een speciale formule: R=d/λ. Hierbij is d de dikte in meters en λ de lambdawaarde. Dit is de warmtegeleidingcoëfficiënt. Deze waarde geeft aan hoe snel het materiaal de warmte geleid. Een hoge lambdawaarde geeft dus aan dat een bepaald materiaal veel warmte geleid. Het is dus de bedoeling deze waarde zo laag mogelijk te houden. Je ziet aan de formule dat de mate van isolatie ook afhankelijk is van de dikte van het materiaal. Een dikker materiaal met een hogere lambdawaarde kan dus evengoed isoleren als een dun materiaal met een lage lambdawaarde.