Het verdrag van Maastricht (1992) is voor de Europese samenwerking op politiek gebied heel belangrijk geweest. In dat verdrag wordt bepaald hoe de besluitvorming binnen de EU er uit ziet.
In Maastricht is de zogenaamde pijlerstructuur bedacht. De drie pijlers waarop het Europese bestuur rust onderscheiden zich door de verschillende verdelingen van bevoegdheden tussen de lidstaten en de Europese instellingen.
Pijlers
* De eerste pijler gaat over economie en maatschappelijke vraagstukken = supranationaal.
* In de tweede pijler gaat het over defensie, buitenlandse zaken = intergouvernementeel
* In de derde pijler wordt beslist over samenwerking op het gebied van Binnenlandse Veiligheid en Justitie (politiebeleid) = intergouvernementeel
Bevoegdheden
Het belangrijke juridische verschil tussen de pijlers is, dat het recht van de eerste pijler wordt aangeduid als “supranationaal” en het recht van de tweede en derde pijler als “intergouvernementeel” of “internationaal”. Het verschil zit in de eigen bevoegdheden van de EU en de landen. Op het terrein van de eerste pijler staat de EU qua regelgevende bevoegdheid boven de lidstaten. De derde pijler heeft een internationaal karakter en staat daardoor niet boven de Lidstaten. Alles wat de Lidstaten in het kader van de derde pijler willen invoeren, moet gebeuren op basis van onderlinge afspraken en nieuw te sluiten verdragen. In de derde pijler kan een land dus de besluitvorming tegen houden.
Besluitvorming
De Europese Commissie neemt het initiatief tot een wetsvoorstel. De Europese Commissie raadpleegt het Europees Parlement, die vervolgens haar standpunt bepaalt en eventuele wijzigingen voorstelt. De raad van ministers neemt de uiteindelijke beslissing tot invoering van het voorstel.
Fase I: Initiatief
Het initiatief tot Europese wetgeving ligt bij de Europese Commissie. Wanneer er zaken in Europa zijn die beter op Europees niveau geregeld kunnen worden, verzamelt de Europese Commissie hierover informatie. Zij raadpleegt deskundigen en spreekt met voor- en tegenstanders. Daarna komt de Commissie met een wetsvoorstel.
Fase 2: Raadpleging
Het wetsvoorstel wordt ter advies aangeboden aan het Europees Parlement. Zij vertelt wat zij van het voorstel vindt. Zij kan wijzigingen voorstellen, verwerpen of goedkeuren. De uiteindelijke beslissing tot invoering van een wetsvoorstel ligt echter bij de Raad van Ministers.
Fase 3: Besluitvorming
De Raad van Ministers neemt in deze fase de uiteindelijke beslissing, maar het Parlement kan in deze fase nog wel invloed uitoefenen. Allereerst beperkt de Raad van Ministers het wetsvoorstel van de Commissie en de daarbij gegeven adviezen van het Parlement. Na de bespreking stelt de Raad een Gemeenschappelijk Standpunt op. Dit Gemeenschappelijk Standpunt is het resultaat van een gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
