Pesach betekent letterlijk "overslaan". Het is een lentefeest dat in de maanden maart en april van de christelijke kalender gevierd wordt (de Joodse maand niesan).
Met het vieren van Pesach herinnert men zich het verhaal van de Uittocht uit Egypte. Omdat de Joden in Egypte als slaven werden behandeld, kreeg Mozes van God de opdracht om ze uit Egypte te leiden. De Farao, de Egyptische koning, wilde het Joodse volk pas laten gaan na tien plagen. De laatste plaag was de ergste. Hierbij werden alle oudste zonen van de Egyptenaren gedood. De Joodse huizen werden overgeslagen. Bij het vieren van Pesach staat de bevrijding centraal. De bevrijding van de slavernij en van de koude winter.
Matze
Pesach wordt ook wel het feest van de matzes genoemd. Matzes zijn ongerezen broden en staan symbool voor het brood dat aan de avond voor de Uittocht gebakken werd, omdat er geen tijd meer was om het deeg te laten rijzen. Voor het begin van het feest, soms wel weken van te voren, wordt het hele huis van boven tot onder schoon gemaakt. Er mag geen kruimeltje gegist voedsel te vinden zijn. Dan kan het feest beginnen. De eerste avond van Pesach heet de Seider en is de meteen de belangrijkste feestdag. Op die avond wordt het verhaal van de Uittocht uit Egypte aan de kinderen verteld, worden er liedjes gezongen, worden de kaarsen aangestoken en staat een sederschotel op tafel.
