Jezus Christus wordt gezien als de zoon van God en is volgens de christenen degene die de mensheid heeft gered. Dit deed hij door de schuld op zich te nemen van de eerste mensen, Adam en Eva, die stiekem een appel aten in het Paradijs. Hij is aan het kruis gestorven en weer opgestaan om daar boete voor te doen.
Jezus is volgens het verhaal geboren als de zoon van de maagd Maria. Ze was op dat moment verloofd met de timmerman Jozef. Toen hij hoorde dat Maria zwanger was, wilde hij eerst de verloving verbreken. Maar toen hij in een droom hoorde dat dit kind erg belangrijk was, veranderde hij van mening.
Geboorte
Maria en Jozef woonden in Nazareth, maar daar werd Jezus niet geboren. Omdat er op dat moment een volkstelling zou zijn, gingen Maria en Jozef naar Bethlehem. Dat was de stad van koning David. Ze moesten daar geteld worden omdat ze beiden afstamden van deze koning. Maar Bethlehem was overvol en er was nergens plaats voor hen om te slapen. Na lang zoeken, vonden ze uiteindelijk een plekje om de nacht door te brengen. In een stal. En net op die avond werd Jezus geboren.
Bezoek
Al snel wist iedereen wat er was gebeurd. Engelen hadden enkele herders uit de buurt ingelicht en gingen op bezoek bij het pasgeboren kindje. Drie wijzen uit het oosten konden aan een nieuwe ster zien dat er iets bijzonders was gebeurd. Ze wisten dat er een koningskind was geboren en maakten een lange reis om hem met hun eigen ogen te kunnen zien. Ze namen drie cadeaus mee: goud, wierook en mirre.
Johannes de Doper
Toen Jezus ouder was, kwam hij in contact met Johannes de Doper. Hij liet zich door hem dopen en reisde samen met hem het hele land door. Tijdens deze reis riep hij mensen op om berouw te tonen voor hun zonden. Maar toen Johannes de Doper later door koning Herodes werd opgepakt, besloot Jezus alleen verder te gaan. Hij verrichtte wonderen: hij genas mensen van allerlei ziekten, veranderde water in wijn en liep over water.
Twaalf volgelingen
Jezus reisde niet alleen, hij deed dit samen met zijn twaalf volgelingen: de discipelen. Dit waren vooral vissers uit zijn woonplaats Galilea. Jezus leerde hen zijn ideeën en zij volgden hem trouw. Op een volgeling na. In ruil voor dertig zilverlingen gaf Judas, een van hen, hem aan bij de joodse priesters. Jezus werd namelijk gezocht wegens godslastering. Dit kwam doordat de geestelijken het niet eens waren met de manier waarop Jezus zijn evangelie uitdroeg.
Dood en opstanding
Vlak daarna, net na het laatste avondmaal, werd hij opgepakt. Daar werd hij veroordeeld tot kruisiging. Jezus onderging deze straf en kon zo boeten voor de zonden van de mensheid. Toen Jezus eenmaal dood was, werd hij van het kruis gehaald, in windselen gehuld en in een graf gelegd met een grote steen ervoor. Toen drie dagen erna het lichaam van Jezus gebalsemd zou worden, ontdekten ze dat ze grote steen voor het graf was weggeschoven. Het lichaam van Jezus was weg. Hij was opgestaan uit de dood.
Hemelvaart
Hierna sprak hij af om de elf overgebleven apostelen te zien. Elf, want Judas had zelfmoord gepleegd nadat hij Jezus had verraden. Tijdens het eten verscheen Jezus en vertelde dat de volgelingen zijn boodschap (dat de zonden van de mensen vergeven zijn door de dood en opstanding van Jezus) aan iedereen moesten doorgeven. Na dit gezegd te hebben, verdween Jezus. Hij was op weg naar de hemel.
