In 1914 brak 'de Grote Oorlog' uit. De Eerste Wereldoorlog duurde 4 jaar. In 1918 kwam er een einde aan een oorlog waarbij miljoenen soldaten om het leven waren gekomen.
De Eerste Wereldoorlog was het gevolg van de grote spanningen die tussen verschillende landen in Europa bestonden.
Eigen volk
Aan het einde van de 19e eeuw speelde het nationalisme een belangrijke rol. Nationalisme betekent: liefde voor het eigen volk. Dat wil zeggen: trots zijn op de taal en cultuur van het land. Liefde voor het vaderland kan een oprecht, goed gevoel zijn, maar nationalisme kan ook een gevaarlijke vorm aannemen. Bijvoorbeeld wanneer een volk zich superieur veel beter voelt dan een ander volk.
Twee vormen
Rond 1900 waren er 2 vormen van nationalisme:
- Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland wilden nog sterker, groter en machtiger worden. Zij versterkten het nationalistische gevoel van hun volk door koloniën te veroveren en een groot leger en een moderne oorlogsvloot op te bouwen.
- Er waren ook volkeren die juist het nationalisme gebruikten om zich vrij te maken van een ander volk. Oostenrijk-Hongarije was één van de grootste landen van Europa. In dit reusachtige land woonden wel 12 verschillende volkeren. De Oostenrijkers en de Hongaren hadden het meeste te vertellen. Zij hadden ook een eigen regering. Maar de andere volkeren wilden ook een eigen staat en hun eigen cultuur en taal ontwikkelen. Vooral de Serviërs in Servië en Oostenrijk-Hongarije streden voor een grotere staat en vormden een bedreiging voor de machthebbers in Oostenrijk-Hongarije.

