De politieke situatie voor 1848

Koning Willem I

In 1813 werd Willem I koning van Nederland. Hij regeerde het land met een kleine groep bestuurders. Er was wel een parlement, maar de Eerste en de Tweede Kamer hadden weinig invloed op het bestuur.

De leden van de Eerste Kamer werden door de koning voor het leven benoemd. Zij kwamen uit de rijkste en belangrijkste families van het land.

De leden van de Tweede Kamer werden aangewezen door de Provinciale Staten. Een echte volksvertegenwoordiging was het parlement dus niet.

Willem I

Volgens Willem I waren de ministers slechts dienaren van de koning. De koning bepaalde wat er moest gebeuren en de ministers moesten dat uitvoeren. In 1838 schreef Willem I:

Wat zijn ministers? Helemaal niets! Ik kan zonder ministers regeren. En die mensen in de Eerste en Tweede Kamer stellen niets voor, zij zijn onbelangrijk, ik bepaal zelf wel wat er gebeurt.


Willem II

In 1840 deed koning Willem I afstand van de troon. Hij werd opgevolgd door Willem II. In 1844 luisterden de leden van de Eerste en Tweede Kamer vol verwachting naar de troonrede van de nieuwe koning. Zij hoopten dat het parlement meer inspraak zou krijgen in het bestuur van het land. Vooral de liberalen, zij vertegenwoordigden de hogere burgerij, waren al langere tijd ontevreden.

Waarom hield hij alle macht bij zichzelf en steunde hij alleen op de adel? Zij verwachtten dat de koning nu eindelijk zijn macht zou delen met de liberalen. Maar Willem II wilde geen veranderingen. Hij wilde de macht bij zichzelf houden, net zoals zijn vader had gedaan.