Nationalisme betekent trots zijn op je eigen land of volk. Daar is op zich niks mis mee. Maar het kan gevaarlijk worden.
Nederlanders zijn soms best nationalistisch. Bijvoorbeeld als het Nederlands elftal speelt. Of als een schaatser op de Olympische Spelen goud haalt. Iedereen is in het oranje en voor ons eigen land wordt het hardst gejuicht en geschreeuwd. Als we winnen zijn we supertrots en vinden we Nederland het beste land ter wereld.
Gevaarlijk
Maar nationalisme kan ook gevaarlijk worden. Mensen kunnen bijvoorbeeld vinden dat hun eigen land het beste ter wereld. En daarmee vinden zij dat ze het recht hebben om andere landen te overheersen. Het nationalisme speelde een grote rol bij het veroveren van koloniën in de negentiende eeuw. De landen in Europa vonden het normaal dat zij landen in Afrika of Azië onder de voet konden lopen en konden gebruiken. Die landen waren in hun ogen minderwaardig.
Negentiende eeuw
In de negentiende eeuw groeide het nationalisme. Mensen kregen steeds meer het gevoel dat ze niet meer alleen bij een stad of streek hoorden, maar bij een land (of natie). Regeringen maken daar gebruik van. Ze zorgen dat het nationalisme versterkt wordt. Mensen gaan bijvoorbeeld belasting betalen aan de staat. Of ze gaan in het staatsleger. Ze moeten ervan overtuigd worden dat het belangrijk is om voor hun land te vechten en zelfs te sterven. Belangrijk voor het bevorderen van nationaal gevoel zijn nationale symbolen (zoals vlaggen), gebeurtenissen en helden. De mensen voelen zich daardoor verbonden met elkaar en trots.
Eerste Wereldoorlog
In de negentiende eeuw waren veel landen erg nationalistisch. Ze vond elk hun eigen land het beste. Samenwerken was er niet bij. Ze vertrouwden elkaar niet. Er werd veel reclame gemaakt voor het eigen land en volk. Landen werden bondgenoot met een land dat ze wel vertrouwden. De spanningen liepen hoog op. Die spanning leidde uiteindelijk tot de Eerste Wereldoorlog.

