Je gebruikt ze elke dag op school, leest er in op vakantie en gebruikt ze soms om een tafel weer stabiel te laten staan. Boeken. Het lijkt heel vanzelfsprekend dat ze bestaan, maar dat was dat vroeger niet zo.
Boeken worden nu met grote machines gedrukt, gesneden en gebonden. Soms met wel honderden tegelijk. Vroeger moest alles met de hand. Letters werden een voor een op een drukpers gelegd, waarna een pagina gedrukt kon worden. Daarna begon alles opnieuw voor de volgende bladzijde. Toch is dit al redelijk modern. Voor 1450 moesten boeken met de hand overgeschreven worden.
Egyptenaren en Romeinen
In de tijd van de Egyptenaren werden al boeken geschreven. Natuurlijk niet in de vorm hoe we ze nu kennen. Voor het papier werden papyrusbladeren gebruikt. De werden aan elkaar geplakt en er ontstond een boek. De Romeinen gebruikten perkament of huiden van kalveren. Hiervan werden bladen geknipt en aan elkaar gebonden. Voor het eerst ontstond een echt boekvormig boek.
Gutenberg
In 1455 drukte de Duitser Johannes Gutenberg voor het machinaal eerst een bijbel. Deze bijbel bestond uit 643 bladzijden die uit losse letters waren opgebouwd. Hiervoor bestonden boekdrukken uit paginablokken. De tekst werd zo uitgesneden dat je een afdruk kreeg. Het grote nadeel hiervan was dat fouten moeilijk aangepast konden worden. Nu hoefde er bij een fout alleen maar een letter te worden vervangen. Daarom staat Gutenberg ook wel bekend als grondlegger van de boekdrukkun
Met de hand
Boeken werden vroeger prachtig versierd. Gouden randjes, mooie tekeningen, het kon niet op. Het grote nadeel van de drukpers van Gutenberg was dat deze versieringen hierna alsnog met de hand gemaakt moesten worden. Maar toch bleek deze manier de helft goedkoper en veel sneller te zijn.
Tegenwoordig hoeft bij het drukken van een boek niets meer geschreven te worden. Ook hoeven de losse pagina’s niet meer aan elkaar geplakt of genaaid te worden. Alles gaat automatisch.
