In ons staatsbestel zijn regenten eeuwenlang belangrijk geweest. Regenten waren degenen die de belangrijkste bestuursfuncties en de belangrijkste ambten in de steden in handen hadden.
Regenten
Tot hen behoorden de burgemeesters (vergelijkbaar met tegenwoordige wethouders), de leden van de vroedschap (vergelijkbaar met tegenwoordige gemeenteraadsleden), schout en schepenen (stedelijk hoofd van de politie/ officier van justitie en stedelijke rechters), de bestuurders van de Oost- en West-Indische Compagnie, de rechters in de Hoven van Justitie en de vertegenwoordigers van de Gewestelijke Staten in de Staten-Generaal.
In totaal waren er in de Republiek zo'n 2000 functies en ambten die door regenten werden bekleed. Het aantal regenten was veel lager omdat velen meer ambten en/of functies hadden. Regenten waren voor het overgrote deel afstammelingen uit de patricische koopmansstand vooral uit de Gouden Eeuw.
Een gesloten groep
In de loop van de 18e eeuw gingen de regenten per stad meer en meer een gesloten groep vormen van een beperkt aantal families. Via onderlinge afspraken werden de functies en ambten doorgegeven. Van de Amsterdamse heren werd gezegd: "....dat de Burgemeesteren zorgden voor de meest profitabele betrekkingen aan hunne familieleden toe te bedelen, spreekt vanzelf." Burgemeesterszoontjes, kleinzoontjes en neefjes hadden van kindsbeen aan rijkbezoldigde baantjes voor het oprapen.
Zo schonk burgemeester Jan Six in 1730 zijn pasgeboren zoon Jan een dubbel postmeesterschap van het Antwerpse Postkantoor, waaraan een jaarlijks inkomen van 11.678 gulden verbonden was. Er werd altijd wel iemand gevonden om tegen een geringe vergoeding de werkzaamheden te verrichten.
Griffier Henric Fagel vertelde dat er onder de burgemeesters waren die "geen ampt aan iemand gaven, of ze moesten een zeker quantum betalen bij wijze van retributie." Tegenwoordig noemen we dat corruptie.
Weerstand tegen de republiek
Het spreekt vanzelf dat dergelijke praktijken onder het gewone volk tot weerstanden leidde. Maar het gezag van de regenten was in normale omstandigheden zo stevig verankerd dat de oranjegezinde factie gesteund door het volk heel lang machteloos bleef. De benedenlaag van de bevolking(de grote meerderheid) had geen enkele invloed op het bestuur van de Republiek.
