Anne Frank zat tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken. Verstopt in een achterhuis dat alleen toegankelijk was via een verschuifbare kast, wachtte ze af tot de oorlog afgelopen was. Maar Anne Frank was niet de enige die onderdook. Ruim 300.000 mensen deden hetzelfde.
Ook homoseksuelen, zigeuners en invaliden moesten zich verstoppen. Adolf Hitler wilde weliswaar het joodse ras uitroeien, maar ook van deze mensen moest hij niets hebben. Hiernaast waren er nog een hoop ‘gewone’ Nederlanders die tijdens de oorlog ondergronds gingen. Deze mensen zaten in het verzet, wilden niet in Duitsland gaan werken tijdens de Arbeitseinsatz of waren het niet eens met Hitler.
Verraad
Als onderduiker liep je altijd het risico dat je verraden werd. Je kon dus niet iedereen vragen om je te helpen met onderduiken, want wat als je onderduikhulp je verraadde aan de Duitsers? Hierbij kwam dat het moeilijk was om iemand te vinden die je wilde helpen, want op het helpen van onderduikers stonden hoge straffen.
Schuilplaats
Omdat Nederland een erg dichtbevolkt land was, kon je niet snel een goede schuilplaats vinden. Ten eerste moest je een plek hebben die niet snel door de Duitsers gevonden zou worden. Zolders of kelders werden er wel eens voor gebruikt, maar waren niet erg veilig. Door een kleed erover te leggen werd de ingang vaak beschut. Een ander goed voorbeeld is de boekenkast die het achterhuis waar Anne Frank met haar familie zat afschermde.
Persoonsbewijs
Onderduikers moesten een vervalst persoonsbewijs hebben. Hadden ze dit niet, dan wisten de Duitsers direct dat ze gezocht werden. Maar belangrijker nog: zonder het bewijs kreeg je geen voedselbonnen. Daarom werden de kantoren die voedselbonnen uitdeelden tijdens de oorlog vaak overvallen. Hierbij werden ook blanco persoonsbewijzen gestolen, zodat iemand een andere identiteit kon aannemen.
Arbeitseinsatz
Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten alle Duitse mannen meevechten in het Duitse leger. Maar zonder wapenfabrieken kan een leger geen oorlog voeren. Om toch genoeg wapens te kunnen produceren, verplichtte de Duitse Reichmaschall Hermann Göring alle mannen van zeventien tot en met veertig jaar in de bezette gebieden om in Duitsland te komen werken. Dit noemde hij de Arbeitseinsatz. Miljoenen mensen werden op deze manier van hun huis weggehaald om in Duitsland te gaan werken. Velen zagen dit niet zitten en besloten onder te duiken.
Ze deden dit niet alleen omdat ze niet weg wilden van huis, maar ook vanwege het grote risico dat ze liepen. De geallieerden probeerden het Duitse leger namelijk een halt toe te roepen door Duitse wapenfabrieken te bombarderen. Ze deden dit met de gedachte: als er geen wapens zijn, er ook geen oorlog gevoerd kon worden.
Engelsen
Tijdens de oorlog verbleven er veel Engelse piloten in Nederland. Deze waren bijvoorbeeld neergestort bij een Duitse aanval en om niet opgepakt te worden, moesten ze zich verstoppen. Ze verbleven vaak in boerenschuren en deden zich voor als een doofstom familielid. Dat moest wel, want als Duitsers hen hoorden praten zouden ze door het Engelse accent direct door de mand vallen.
