De technicus Gottlieb Daimler ontwikkelde een cilindrische motor en monteerde deze aan een fiets. De motorfiets was geboren. Na de fiets vond Karl Benz een voertuig uit met drie wielen en een motor met vier cilinders. De ontwikkeling ging nog verder en er kwamen automobielen met vier wielen.
Deze auto's zagen eruit als een koets zonder paarden. Vooral de rijke bovenlaag van de bevolking reed erin. De eerste keer dat mensen zo'n automobiel zagen, waren ze ervan overtuigd dat het helse machines waren.
Lopende band
Henry Ford wilde op grote schaal auto's produceren. Hij bedacht een productiesysteem met lopende banden, waaraan hij auto's liet assembleren die uit honderden verschillende onderdelen bestonden. Door de uitvinding van de lopende band veranderde het exclusieve karakter van de auto drastisch.
T-Ford
Ford was op deze manier in staat dagelijks 3.000 auto's te produceren. De kosten per auto daalden van 1.000 dollar in 1908 tot zo'n 300 dollar in 1928. De T-Ford werd als eerste auto volgens dit proces vervaardigd. Andere industriële bedrijven namen deze lopende band al snel over. De massaproductie was geboren. In Europa was het Citroën, die in 1919 als eerste massaal auto's ging produceren.
Gebruik versus vormgeving
De nadruk bij de productie van nieuwe auto's lag in eerste instantie op het gebruik en minder op de vormgeving. Bij de vormgeving van de sportmodellen werd uiteraard meer op het uiterlijk gelet. De Europese auto's kennen op het gebied van vormgeving wel een aantal juweeltjes, waaronder de Citroën DS (oftewel de Snoek).
Nu
Tegenwoordig is de vormgeving erg belangrijk. Mensen zijn geneigd sneller voor een stoer uitziende auto te kiezen, dan een model dat niets speciaals heeft. Om elk jaar iets nieuws te kunnen verkopen, ontwikkelen autofabrikanten erg vaak nieuwe modellen. Vaak hebben deze naast een technische verbetering, ook een andere (mooiere) vorm.
