In 1555 is Nederland onderdeel van het Spaanse Wereldrijk. Alleen heet ons land dan nog de Nederlanden en bestaat het uit 17 kleine gewesten die elk een eigen taal en regels hebben.
Gewesten zijn kleine landjes die ongeveer net zo groot zijn als onze provincies. De gewesten werden bestuurd door Nederlandse edelen. Zij waren dus erg belangrijk. Maar toen koning Filips II de macht van zijn vader overnam, veranderde dat.
Een bestuur
Filips wilde graag dat in heel zijn rijk dezelfde wetten en regels golden. Er moest dus een bestuur komen voor alle Nederlanden. Daar waren de edelen niet blij mee, want ze kregen hierdoor een stuk minder te zeggen.
Protestanten
Omdat koning Filips II een erg gelovig man was, vond hij de kerk erg belangrijk. Iedereen moest dan ook in God geloven en naar de kerk gaan. Maar in die tijd begonnen er steeds meer mensen aan de kerk te twijfelen en wilden het veranderen. Dit werden protestanten of ketters genoemd.
Straffen
Maar koning Filips wilde niets de verandering van weten. Hij vond dat de kerk moest blijven hoe hij was en liet daarom protestanten en ketters streng straffen. Zo streng, dat ze levend op een brandstapel werden gegooid.
Smeekschrift
De Nederlandse edelen maakten zich zorgen. Ze vonden dat Filips veel te hard optrad tegen de protestanten. In een speciale brief, het smeekschrift, vroegen ze het ophangen en verbranden van ketters te stoppen. Maar Filips gaf niet toe.
Hagenpreken
Maar de nieuwe ideeën over het geloof bleven ontstaan. Protestanten bespraken deze in het geheim buiten op 't veld of in schuren. Deze kerkdiensten voor protestanten werden Hagenpreken genoemd.
Beeldenstorm
Toen de oogsten mislukten en daardoor het brood heel erg duur werd, ging het mis. De mensen kregen honger en werden boos. De mensen verenigden in groepjes en besloten alles te kapot te maken in kerken en kloosters. Niets werd gespaard. Deze storm van vernieling werd ook wel de Beeldenstorm genoemd.
