Arbeiders in de fabrieken

Ze hadden het niet erg goed

Met de komst van de stoomlocomotief schoten in heel West-Europa fabrieken als paddenstoelen uit de grond. Het maakte immers niet meer uit waar ze stonden. Steenkool en ijzererts kon nu snel en goedkoop per trein worden aangevoerd.

Die fabrieken hadden veel arbeiders nodig. En dus trokken mensen naar de steden. Ze gingen dichtbij hun werk wonen, want ze hadden geen fiets en auto's bestonden toen nog niet.

Arbeiderswijken
Onder de zwarte rook van de fabrieken ontstonden arbeiderswijken. Dit waren wijken met kleine, eenvoudige, dicht op elkaar staande huisjes. Ze hadden vaak maar één kamer. Daar moest het hele gezin wonen. Er werd gekookt, gegeten en geslapen.


Afbeelding interieur arbeiderswoning

De arbeiders woonden vaak in huisjes met maar één kamer

Onhygiënisch
Afval werd gewoon op straat gegooid. Ratten, muizen en andere ongedierte kwamen hier op af. Ze verspreiden ziektes onder de arbeidersgezinnen. Bovendien aten de mensen ook niet gezond. Dit kwam omdat gezond voedsel te duur was. De meeste arbeiders werden daarom niet erg oud.

Afbeelding kinderen in fabrieken

Ook kinderen werkten in de fabriek. Daar keek niemand van op.

Omstandigheden
De ziektes en het ongezonde eten waren niet de enige redenen voor de lage levensverwachting van de arbeiders. Ze moesten er lang werken en de lucht in fabrieken was erg ongezond. De arbeiders werkten zes dagen per week en maar liefst veertien uur per dag. In de fabrieken dwarrelen er dikke wolken stof om hun hoofden. En wat dacht je van al het lawaai van de machines?

Veiligheid
Het werk in de fabrieken was niet erg veilig. Er gebeuren regelmatig ongelukken bij de grote, bewegende machines. En als je ziek werd of invalide had je pech. Als je geen werk had, had je ook geen geld. Het werk werd sowieso niet erg goed beloond. Om het hele gezin te eten te geven, moesten ook de vrouwen en kinderen in de fabrieken werken. Daar keek niemand van op.

Samen sterk
De arbeiders in de fabrieken hadden het erg slecht. Maar ze durfden niet te klagen bij de fabrieksbaas. Ze waren bang dat ze werden ontslagen. En dan was er helemaal geen geld. Daarom besloten de arbeiders om samen in opstand te komen. Dan moest de fabrieksbaas wel luisteren.

Vakbonden
De arbeiders verenigden zich in vakbonden. De vakbonden kwamen op voor betere werkomstandigheden, een hoger salaris en een werkdag van acht uur. Ook sommige mensen uit de politiek trekken zich het lot van de arbeiders aan. Ze hoorden de verhalen over het zware werk en het slechte bestaan.

Regels
Na een onderzoek van de regering. Werden er wetten gemaakt die het leven van de arbeiders moeten verbeteren. Zo mochten kinderen onder de twaalf jaar niet langer in de fabrieken werken. Later kwam er zelfs een leerplicht: kinderen moesten voortaan verplicht naar school. Maar daar bleef het niet bij. Er kwamen afspraken over wat de arbeiders minimaal moesten verdienen en hoelang ze maximaal mochten werken.