In de middeleeuwse stad was het een drukte van belang. In de stad werkten ambachtslieden, herbergiers, visverkopers, touwslagers, bakkers en andere werklieden. Kooplieden verkochten hun producten op de markt.
De straten in de stad waren nauw en er stonden veel houten huizen. De meeste straten waren van zand. Varkens, kippen en schapen liepen er vrij rond. Er waren geen prullenbakken en ook geen rioleringen. Daarom werden veel mensen werden ziek van de viezigheid op straat en in huis.
Boeren en burgers
In de middeleeuwen waren boeren op het platteland meestal niet vrij. Ze waren verplicht om te werken voor de landheer. Ze hoorden bij de grond van de landheer. Ze waren horigen. De burgers in de stad waren vaak wel vrij. Ze hadden beroepen als koopman of ambachtsman. Ambachtslieden waren goed in hun werk. Als slager, bakker of smid.
Vooruitgang
In de loop van de middeleeuwen werd er meer mest gebruikt om het land vruchtbaarder te maken. Er kwam ook een veel beter werktuig: de ijzeren ploeg verving de houten ploeg. Hiermee werd het werk gemakkelijker en nam de opbrengst van de landbouw toe. Er kwam voldoende voedsel voor iedereen. Een deel kon zelfs op de markt worden verkocht. Hierdoor kon de bevolking na het jaar 1000 toenemen.
