Economie in de monetaire unie

Wie betaalt wat in Europa?

Voordat de euro werd ingevoerd, had elk land zijn eigen munt met elk zijn eigen wisselkoers. Deze wisselkoersen verschilden per dag heel erg. Hierdoor was het erg moeilijk om binnen Europa goed economisch samen te kunnen werken. Om dit te kunnen verbeteren werd er in het Verdag van Maastricht (1992) afgesproken dat de deelnemende landen hun economie op elkaar af zouden stemmen.

Maar eigenlijk ging het plan iets verder dan 'economieën op elkaar afstemmen'. In drie fases zouden de deelnemende landen zich tot een monetaire unie vormen. Dit betekende onder andere dat elk land afscheid zou moeten nemen van hun eigen munt.

Drie fases
3 mei 1998: vaststellen welke landen deelnemen aan de Economische en Monetaire Unie. Deze landen voldeden op dat moment aan de voorwaarden die in de Europese Unie waren afgesproken. Deze worden ook wel de convergentiecriteria genoemd. Landen die erbij willen mogen maar een lage rente en inflatie hebben. Ook mogen het begrotingstekort en de overheidsschuld niet te hoog zijn.

1 januari 1999: daadwerkelijke start van de Economische en Monetaire Unie (EMU). De wisselkoersen tussen de euro en de verschillende nationale munten worden definitief vastgesteld. De euro wordt giraal de officiële munt van de Europese Unie. Dat wil zeggen dat je vanaf toen via de bank euro's kon overschijven.

1 januari 2002: invoering van de euro als wettig betaalmiddel van de lidstaten die deelnemen aan de EMU.
Op een bord in een weiland staat dat het gebied ontwikkeld gaat worden met financiele steun van de EU

Kosten en uitgaven
In 2008 bedragen de uitgaven van de Europese Unie 120 miljard euro. Dit lijkt veel, maar vergeleken met de rijksuitgaven van Nederland (169 miljard euro) valt dit bedrag mee. Helemaal goed te vergelijken zijn deze uitgaven niet. De EU hoeft bijvoorbeeld geen kostbaar onderwijsstelsel (23,1 miljard euro) en een legermacht (7,0 miljard euro) te bekostigen. De uitgaven van de EU (cijfers van 2008) zijn te onderscheiden in:

  • Gemeenschappelijk landbouwbeleid (32%) Al tientallen jaren zijn de kosten voor gemeenschappelijk landbouwbeleid de belangrijkste EU-uitgaven
  • Structuur- en cohesiefondsen (44%) Het grootste deel van de structuurfondsen gaat naar arme regio’s in de Europese Unie, met name naar de nieuwe lidstaten in het oosten. Dit geld wordt gebruikt voor het verbeteren van het onderwijs, de infrastructuur en de werkgelegenheid.
  • Intern beleid (11%) Zoals de ontwikkeling van de Betuwelijn of de HogeSnelheidsLijn. Een ander onderdeel van intern beleid is onderzoek en technologie.
  • Extern beleid (6%) Denk hierbij aan voedsel-, nood- en humanitaire hulp voor rampgebieden zoals Soedan. Ook het bevorderen van mensenrechten, democratie en vredesoperaties op de Balkan valt onder extern beleid.
  • Steun aan kandidaat-lidstaten (1%)
  • Overige uitgaven (6%) Hieronder vallen onder andere de administratieve uitgaven zoals de salarissen van de Europese ambtenaren, de vertaalkosten en kosten voor gebouwen (in Brussel, Luxemburg en Straatsburg).

Inkomsten
De EU ontvangt ook geld. Want anders kun je niets betalen. De lidstaten van de Europese Unie zorgen voor dat geld.

  • Bruto Nationaal Inkomen (BNI)-afdrachten (69%)
    De BNI-afdracht van elke lidstaat hangt af van twee dingen: in de eerste plaats van de vraag hoeveel geld de EU in totaal nodig heeft en in de tweede plaats van het aandeel van het Bruto Nationaal Inkomen van een lidstaat in het totale EU-BNI. Het Nederlandse aandeel in het totale EU-BNI is iets minder dan 5%.
  • BTW-afdrachten (15%)
    Heb je laatst iets gekocht, dan is een klein deel van dat geld (van de BTW die in de prijs was inbegrepen) naar Europa gegaan.
  • Invoerrechten en landbouwheffingen (16%)
    Denk bijvoorbeeld aan invoerrechten op auto's uit Japan en de Verenigde Staten. Niet alle landbouwproducten die Europa invoert zijn even duur. Het prijsverschil wordt door heffingen weggewerkt. Op die manier ontstaat er eerlijke handel.

Europa op de rijksbegroting
Nederland is al enige jaren de grootste nettobetaler aan de EU. De verwachting is dat Nederland in de toekomst samen met Duitsland en Zweden veel moet blijven betalen. De Nederlandse regering wil er daarom voor zorgen dat de lasten in Europa eerlijk verdeeld worden.

(cijfers: Europa-nu.nl)