Een opvallend verschijnsel is de op- en neergaan van de economie. Je kunt dit vergelijken met een golfbeweging. Hiervoor wordt het begrip 'conjunctuur' gebruikt.
Een golfbeweging bestaat uit twee fasen. De eerste fase is de opgaande fase. Dit wordt ook wel de fase van expansie genoemd. In deze fase is er sprake van hoogconjunctuur. Hoogconjunctuur is dat deel van het herstel, waarbij de reële groei van de productie boven de trend ligt. De tweede fase is de neergaande fase. Deze fase wordt wel contractiefase of laagconjunctuur genoemd. Van laagconjunctuur spreken we wanneer de reële groei van de productie onder de trend ligt.
Twaalf jaar
De op- en neergang duurt maximaal twaalf jaar. Dit is de zogenaamde business cycle of conjunctuurbeweging. De trend geeft een beweging van de economie aan op zeer lange termijn.
Hoogconjunctuur
Als voorbeeld van de opgaande fase nemen we de jaren zestig. De Nederlandse economie is dan gezond. De materiele welvaart nam in snel tempo toe. Werkloosheid was er bijna niet. Er was zelfs nog steeds vraag naar werknemers. Hierdoor stegen de lonen. De prijzen stegen mee en de economie raakte oververhit. Nadeel van deze fase is dat de winsten van bedrijven dalen en investeringen afnemen. De neergaande fase doet zijn intrede.
Laagconjunctuur
In 1929 begin een wereldwijde neergang. De beurs van New York stort in. De export daalt en winsten van bedrijven nemen af. Bedrijven ontslaan mensen en de werkloosheid stijgt. Daarnaast worden de lonen van de werknemers bevroren. Zij hebben ook minder geld om te besteden. De binnenlandse vraag naar producten neemt af en bedrijven investeren minder. De contractie wordt steeds heftiger. Deze fase duurde tot 1936.
Reageren op golfbeweging
De overheid kan op verschillende manieren reageren op de golfbeweging van de economie. Aan de vraagkant kan de overheid de economie stimuleren door een uitgavenbeleid te voeren. De motivatie van de overheid om deze maatregelen te nemen kan zijn, omdat consumenten hun geld vasthouden en bedrijfsinvesteringen achterwege blijven. Kiest de overheid voor dit beleid, dan volgt de overheid het idee van de econoom Keynes.
Aanpassingspolitiek
De overheid kan zich ook richten op de aanbodkant van de economie. Dit deed de minister-president Colijn in de periode 1933 - 1939. Colijn voerde een aanpassingspolitiek. Zijn idee was dat de lonen en prijzen moesten dalen tot er sprake was van een evenwicht. Door het dalen van de lonen en aanpassen van de prijzen zouden Nederlandse producten aantrekkelijk worden voor het buitenland. De export zou dan weer kunnen gaan toenemen. Dit beleid had weinig effect.
Dempen
Een andere mogelijkheid is om de conjunctuurbeweging proberen te dempen. De overheid moet dan zorgen dat de inkomsten en de uitgaven met elkaar in evenwicht zijn. Meevallers mogen niet worden gebruikt voor het verhogen van de overheidsuitgaven.
